Van God houden met heel je hart en met heel je verstand

In het Evangelie volgens Markus zegt Jezus, als hem gevraagd wordt naar het eerste gebod: ‘En u zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.’

Ik wil daar twee elementen uitpikken: liefhebben met heel je hart en liefhebben met heel je verstand. Hoe moeten we dat voor ons zien?

Wij associeren het woord “liefde” meestal met ons hart, en dat is maar goed ook, want ik denk dat geen enkele liefdespartner erg enthousiast zal worden als zijn of haar partner op zijn knieën verklaart: ‘Ik heb er nog eens goed over nagedacht, maar het geheel overziende kom ik tot de conclusie dat ik op rationele gronden wel van je moet houden.’ Ik denk niet dat je met zo’n uitspraak hoge ogen gooit als je daarmee je aanstaande man of vrouw ten huwelijk wil vragen. Liefde, dat associeren we met verliefdheid, met vlinders in de buik, met een brandend hart en met passie. Kortom: het lijkt erop dat liefhebben met heel je hart de meest natuurlijke manier is waarop de liefde zich uit.

Maar liefhebben met heel je verstand, hoe zit het daar dan mee? Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Deze blog gaat over geloof, dus voor het beantwoorden van deze vraag beperk ik me tot de liefde voor God. En dan moet ik meteen maar een bekentenis doen. Als het gaat om geloven, dan ben ik in de eerste plaats een rationeel ingesteld mens. Ik kan mijn hart nergens omheen plooien als mijn hoofd het niet gelooft. Toen ik voor het eerst kennis maakte met onze kerk, de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, moest ik dan ook even diep slikken toen ik hoorde hoe de belangrijke heilige geschriften van ons geloof, het Boek van Mormon, tot ons waren gekomen, namelijk via de verschijning van een engel. Daarover wijd ik een andere keer graag uit. Voor nu is een belangrijkere vraag wat het Boek van Mormon precies is.

In het Boek van Mormon staan heilige geschriften van volgelingen van Jezus. Net zoals God in de Bijbel tot Mozes en Noach sprak, heeft hij ook tot de mensen op het Amerikaanse halfrond gesproken. Die mensen, die we profeten noemen, hebben Gods woord opgeschreven. Hun geschriften zijn uiteindelijk in een boek bijeengebracht door een profeet die Mormon heette. In 1823 werd Joseph Smith door een engel naar de eeuwenoude kronieken geleid, en hij vertaalde ze door de macht van God.  Net als de profeten vanouds die hem voorgingen, fungeerde Joseph Smith als Gods boodschapper en getuigde hij van de verzoening van Jezus Christus en van het vermogen van de Heiland om ons leven voorgoed te veranderen.

Net als de Bijbel bevat het Boek van Mormon bijdragen van veel schrijvers. Het is een verzameling dagboeken en geschiedkundige verslagen die van de ene schrijver op de andere zijn doorgegeven en een periode van zo’n duizend jaar bestrijken. De eerste schrijver is de profeet Nephi, die in 600 vóór Christus samen met zijn gezin Jeruzalem verliet om naar het Amerikaanse vasteland te trekken. Nephi gaf de kroniek door aan zijn jongere broer, die het op zijn beurt aan zijn zoon gaf. Elke schrijver gaf de kroniek door aan iemand die hij vertrouwde. Mormon was de profeet die alle geschriften in één boek samenbracht. Daarom wordt het boek het Boek van Mormon genoemd.

In 1823 werd Joseph Smith naar deze oude kroniek geleid, en hij vertaalde die met behulp van de macht van God.

Het Boek van Mormon bekrachtigt de Bijbel en geeft vaak verduidelijking met betrekking tot de leringen van Jezus Christus. Het is zoals de Bijbelboeken Markus en Lukas die dezelfde verhalen over Jezus bevatten. Hoewel de Bijbelboeken Markus en Lukas elkaar voor een groot deel overlappen, is het toch leerzaam om vanuit twee verschillende perspectieven over Jezus Christus te lezen. Zo is het ook met de Bijbel en het Boek van Mormon. Ze vullen elkaar aan en spreken elkaar op geen enkel punt tegen. Het lezen van het Boek van Mormon vergroot je kennis van de Bijbel en omgekeerd. Niets voor niets staat op de titelpagina van het Boek van Mormon “eveneens een testament aangaande Jezus Christus”. Daarbij is het woord “eveneens” cruciaal. Het Boek van Mormon is een extra getuigenis omtrent het bestaan van Jezus Christus. De Bijbel is de eerste getuigenis, geschreven op het Oostelijk halfrond; het Boek van Mormon is een tweede (extra) getuigenis, geschreven op het Westelijk halfrond. Veel mensen hebben zich afgevraagd waarom een extra getuigenis nodig is, kortom: waarom we niet genoeg hebben aan de Bijbel. Sommige mensen vinden het zelfs Godslastering om naast de Bijbel nog een ander heilig geschrift te erkennen. Ik heb dat zelf nooit zo ervaren. Omdat het Boek van Mormon mijn kennis over de Bijbel heeft vergroot, en sommige voor mij onduidelijke aspecten van de Bijbel heeft verhelderd, heb ik het Boek van Mormon altijd beschouwd als een ondersteuning van de Bijbel, niet als een geschrift dat daarmee op gespannen voet staat. Sommige voor mij duistere, ondoorgrondelijke onderdelen van de Bijbel ben ik opeens in een ander licht gaan zien nadat ik het Boek van Mormon ben gaan lezen. Voor mij is het Boek van Mormon dan ook een kostbaar geschenk, dat met terugwerkende kracht mijn waardering van de Bijbel heeft vergroot. De Bijbel en het Boek van Mormon laten zien dat God mensen op alle continenten van de wereld leidt en liefheeft.

Hieronder volgt een korte samenvatting van het Boek van Mormon, zoals die op de website van onze kerk te vinden is.

“Eigenlijk is het Boek van Mormon een familiekroniek. Lehi is een profeet in Jeruzalem. God waarschuwt Lehi in een droom dat hij met zijn gezin uit Jeruzalem weg moet vluchten, omdat de vijand de macht zal grijpen. Ze steken de oceaan over en komen op het Amerikaanse vasteland terecht. Laman en Lemuel, de oudste zonen van Lehi, geloven niet dat hun vader inspiratie van God ontvangt. Hun jongste broer, Nephi, heeft een groot geloof. Nephi wordt door God uitgekozen om het gezin te leiden en onderwijzen.

Na een tijdje ontstaan er twee groepen: de Nephieten en de Lamanieten. De groepen voeren vaak onderling oorlog, en hun geloof in Jezus wordt voortdurend op de proef gesteld. Dit geloof komt in het Boek van Mormon tot uiting in krachtige redevoeringen, levenslessen en geestelijke ervaringen.

Na zijn opstanding verschijnt Jezus aan de mensen op het Amerikaanse vasteland. Hij spreekt tot hen over de doop en vergeving. Hij geneest hun zieken en zegent hun kinderen. Hij sticht zijn kerk. In tegenstelling tot de mensen in Jeruzalem, luisteren de mensen in het oude Amerika wel naar Jezus. Na zijn bezoek leven ze honderden jaren in vrede.

Na verloop van tijd taant hun geloof en breekt er weer oorlog uit, waardoor vrijwel de hele bevolking omkomt.”

Terug naar de vraag hoe we ons het liefhebben van God met heel ons verstand moeten voorstellen. Ik kan die vraag alleen maar voor mezelf beantwoorden. Ik ben een groot fan van wetenschap, en dan met name van wiskunde en de natuurwetenschappen. Ik lees graag over de evolutieleer, de kwantummechanica en het ontstaan van ons heelal.

Er zijn ontelbare artikelen verschenen over de vraag of wetenschap en religie hand in hand kunnen gaan bij onze zoektocht naar de werkelijkheid. Volgens mij is het antwoord op die vraag een volmondig ja. Ik geloof dat religie en wetenschap niet op gespannen voet met elkaar hoeven te staan, sterker nog: dat ze elkaar kunnen aanvullen en dat ze allebei waardevolle inzichten kunnen opleveren bij onze aardse speurtocht. Waarbij de wetenschap vooral antwoord geeft op de “hoe” vragen en religie antwoord geeft op de “waarom” vragen. Er zijn ook vele voorbeelden van vooraanstaande wetenschappers, zelfs Nobelprijswinnaars, die zeer religieus waren of nog steeds zijn.

Nadat ik het Boek van Mormon twee keer had gelezen (één keer in het Nederlands en één keer in het Engels) en er uitgebreid op had gestudeerd, kwam ik al snel tot de conclusie dat dit boek geen verzinsel kon zijn van de ongeletterde Joseph Smith, een eenvoudige boerenjongen die leefde in het Amerika van het begin van de negentiende eeuw. Toen het Boek van Mormon net was gepubliceerd, vielen veel critici over de soms hoogdravende schrijfstijl met zijn vele herhalingen. Pas in de twintigste eeuw kwamen veel wetenschappers er achter dat het Boek van Mormon veel ingewikkelder in elkaar stak dan op het eerste gezicht leek. Er worden verschillende schrijfstijlen en stilistische genres gehanteerd, volkomen in overeenstemming met de claim dat het oorspronkelijke Boek van Mormon door meerdere auteurs is geschreven (en pas later door Joseph Smith is gedicteerd). Er komen meer dan duizend oude Hebreeuwse stijlfiguren in voor die in de tijd van Jospeh Smith niet eens bekend waren. Zo is bijvoorbeeld hoofdstuk Alma 36 één groot chiasme, een stijlfiguur waarbij de overeenkomstige termen van verschillende formuleringen in omgekeerde volgorde worden geplaatst. Een mooi voorbeeld is het rijmschema ABBA, zoals in het onderstaande gedicht Insomnia van de bekende Nederlandse dichter J.C. Bloem:

Denken aan de dood (A) kan ik niet slapen (B)

En niet slapend (B) denk ik aan de dood (A).

Alma 36 heeft maar liefst 17 concepten die in omgekeerde volgorde worden herhaald. Dat chiasme is zo ingewikkeld dat het pas in 1967 werd ontdekt. Als Joseph Smit erop uit was om zijn publiek te imponeren met deze complexiteiten, had hij er tijdens zijn leven wel de aandacht op gevestigd!

Maar dat is nog niet alles. Het Boek van Mormon bevat meer dan 200 namen en meer dan 100 locaties, die op consistente wijze worden gebruikt. Er wordt een eigen systeem van gewichten en geldeenheden opgevoerd, dat niet alleen 100% consistent is, maar ook nog eens verwantschappen vertoond met soortgelijke systemen uit het oude Egypte en Mesopotamië. Het Boek van Mormon bevat ingewikkelde veldslagen, briljante theologische concepten die je pas begrijpt nadat je ze meerdere keren hebt gelezen, flashbacks en zelfs flashbacks binnen flashbacks, zonder dat de correcte chronologie van het overkoepelende verhaal ook maar één moment in gevaar komt. Er zijn intertekstuele verwijzingen, er worden verschillende kalenders gehanteerd en er wordt een complexe geografie ten tonele gevoerd, die ook hier weer volledig consistent is door de verschillende verhalen en tijdvakken heen. En dit is nog maar het tipje van de ijsberg. Het is gewoonweg spectaculair, en al helemaal als je weet dat Joseph Smith (zoals gezegd zonder enige relevante opleiding) het Boek van Mormon, dat bestaat uit bijna 270.000 woorden, in één ruk heeft gedicteerd, volgens getuigen zonder gebruik te maken van andere boeken of geschreven aantekeningen, en zonder dat het achteraf noemenswaardig hoefde te worden gecorrigeerd, en dat alles in een tijdspanne van slechts 65 werkdagen.

Professor Daniel Person schreef dan ook: “The intricate structure and detailed complexity of the Book of Mormon seem far better explained as the work of several ancient writers using various written sources over the space of centuries than exploding suddenly from the mind of a barely educated manual laborer on the American frontier.

Het Boek van Mormon is niet minder dan een hedendaags wonder, of zoals het Boek van Mormon het zelf noemt: “a marvelous work and a wonder” (2 Nephi 27).

Dit alles bracht mij tot de overtuiging dat het Boek van Mormon wel waar moest zijn. Mede daardoor kan ik nu getuigen dat ik van God (waarover zo uitgebreid wordt geschreven in het Boek van Mormon) houd met heel mijn verstand.

Is dat voldoende? Ik denk het niet. Voor mij persoonlijk was het geloven met heel mijn verstand een belangrijke stap, maar uiteindelijk gaat het er óók om dat je van God houdt met heel je hart, ziel en kracht. Daarvoor was een geloofssprong nodig, die ik pas kon maken nadat ik een getuigenis had ontvangen via de Heilige Geest. Daarover vertel ik graag meer in een volgende blogpost.

Dikke pil

Er is iets bijzonders aan de hand met het Boek van Mormon. Volgens Ezra Taft Benson, die van 1985 tot 1994 president van onze kerk was, schuilt er een kracht in het Boek van Mormon, die op je leven begint in te werken vanaf het moment dat je het boek serieus begint te bestuderen. Volgens hem zorgt een studie van het Boek van Mormon ervoor dat je beter in staat zult zijn om verleidingen te weerstaan en bedrog te vermijden. Wanneer je begint te verlangen naar het levende woord zoals dat in het Boek van Mormon is opgenomen, zul je het leven vinden, in een steeds groter wordende overvloed.

Er gaat een kracht uit van het Boek van Mormon, zelfs al begrijp je nog niet alles wat er staat geschreven.

President Gordon B. Hinckley vertelde ooit een mooie anekdote over de kracht van het Boek van Mormon. Een bankier in Californië had een secretaresse die een kettingrookster was en er maar niet in slaagde om haar verslaving te overwinnen. Ze vroeg hem op een dag wat ze moest doen om te stoppen met roken. De bankier haalde een exemplaar van het Boek van Mormon uit zijn bureaula, overhandigde het haar en zei: ‘Hier, lees dit maar eens.’

De secretaresse nam het Boek van Mormon mee naar huis en begon te lezen. Na een paar dagen zei ze tegen de bankier: ‘Ik heb nu tweehonderd bladzijden gelezen, maar ik ben het woord “roken” of “tabak” nog nergens tegengekomen. Ik zag ook geen enkele verwijzing naar iets dat erop leek.’

De bankier zei: ‘Blijf lezen.’

Vier dagen later kwam de secretaresse terug en zei: ‘Ik heb het gehele boek gelezen. Ik ben nergens iets tegengekomen over roken of tabak, maar als gevolg van het lezen ben ik in mijn hart een invloed, een kracht gaan voelen, die het verlangen om te roken bij me heeft weggehaald en ik vind het geweldig.’

Dat is de kracht van het Boek van Mormon.

Ik kan ook getuigen van de kracht van het Boek van Mormon. Toen ik het Boek van Mormon opende om daarin voor het eerst serieus te gaan lezen, werd ik overvallen door een emotie die ik lange tijd niet had gevoeld. Het deed me denken aan heel lang geleden, toen ik als kleine jongen mijn kinderbijbel opende en werd meegesleept door de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament. Ik weet nu dat dat de invloed van de Heilige Geest was die mij liet weten dat ik een goede beslissing had genomen door het Boek van Mormon te gaan bestuderen. Diezelfde Heilige Geest zorgde er later voor dat ik een goddelijk getuigenis ontving van het Boek van Mormon, een herbevestiging kreeg dat Jezus Christus mijn redder en verlosser is, mij liet weten dat Joseph Smith zijn profeet is en dat de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen Zijn herstelde Kerk is.

In de inleiding van het Boek van Mormon staat dan ook: “Wij nodigen alle mensen waar ook ter wereld uit om het Boek van Mormon te lezen, de boodschap die het bevat in hun hart te overwegen en daarna God, de eeuwige Vader, in de naam van Christus te vragen of het boek waar is. Zij die daartoe bereid zijn en in geloof vragen, zullen door de macht van de Heilige Geest een getuigenis van de waarheid en goddelijkheid ervan ontvangen. Zij die dit goddelijk getuigenis door de Heilige Geest ontvangen, zullen door diezelfde macht ook te weten komen dat Jezus Christus de Heiland van de wereld is, dat Joseph Smith zijn openbaarder en profeet in deze laatste dagen is, en dat De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen het koninkrijk van de Heer is, wederom op aarde gevestigd ter voorbereiding op de wederkomst van de Messias.”

Was het echt zo simpel allemaal? Was het zo dat ik begon te lezen in het Boek van Mormon en dat vanaf dat moment mijn leven ingrijpend en ten goede veranderde?

Nou, nee. Niet helemaal. Ik heb mijn goddelijke getuigenis wel degelijk gekregen, zoals mij was beloofd, maar dat betekent niet dat ik daar geen moeite voor heb moeten doen. Het begon er al mee dat het boek van Mormon een dikke pil is. Zelfs ik, die erg van lezen houd, moest wel even slikken toen ik aan het 531 pagina’s tellende boekwerk begon. Het eerste hoofstuk, genaamd het eerste boek Nephi, las nog redelijk makkelijk weg, maar toen ik begon aan het tweede boek van Nephi, met al zijn citaten van de profeet Jesaja, raakte ik soms hopeloos de weg kwijt. Hetzelfde gold voor het tiende hoofdstuk, het boek Helaman, met al zijn oorlogen, twisten en onenigheden. Ik heb zelfs een paar keer op het punt gestaan om het Boek van Mormon weg te leggen en het nooit meer aan te raken. Het Boek van Mormon is, net als de Bijbel, soms behoorlijk complex en ondoordringbaar. Ik denk dat de Bijbel, en dan vooral het Oude Testament (Numeri!), een stuk moeilijker te lezen is dan het Boek van Mormon, maar dat wil niet zeggen dat er in het Boek van Mormon niet óók veel passages zitten waar de lezer van nu zijn tanden behoorlijk op stuk kan bijten.

Heel verwonderlijk is dat natuurlijk niet. Net als de Bijbel is het Boek van Mormon geschreven in een andere tijd en in een andere cultuur, die ver van ons verwijderd is, waardoor de taal en de zinsbouw vaak erg vreemd en complex op ons overkomen. Zowel de Bijbel als het Boek van Mormon bevatten veel abstracte concepten en meerdere lagen die je pas ontdekt na meerdere malen grondig lezen. Er wordt gesproken in symbolen, parabels, allegorieën en gelijkenissen die allemaal op de juiste wijze moeten worden geïnterpreteerd om te begrijpen wat er staat. Geen wonder dat veel mensen de Schriften zo moeilijk te begrijpen vinden!

Ik denk zelf dat het geen toeval is dat de Schriften zo moeilijk te begrijpen zijn. Als God had gewild dat de Bijbel en het Boek van Mormon net zo eenvoudig te lezen waren als de Donald Duck, had Hij dat natuurlijk zo kunnen regelen. Maar God wil dat wij eerst onze keuzevrijheid gebruiken om iets te willen begrijpen, om vervolgens moeite ervoor te doen. De beste en mooiste dingen van het leven zijn zo veel waard dat er een prijs voor moet worden betaald.

Desalniettemin heb ik een aantal tips die kunnen helpen bij het begrijpen van het Boek van Mormon (en de Bijbel) op de momenten dat je vastloopt tijdens het lezen.

Tip 1: pak de kinderversie erbij. Zowel van de Bijbel als het Boek van Mormon zijn kinderedities verschenen. Schaam jezelf niet om die erbij te pakken als het je tijdens het lezen begint te duizelen. De kinderversies brengen het verhaal terug tot de essentie en vertellen het verhaal in eenvoudige, hedendaagse bewoordingen. Natuurlijk valt er in de kinderversie een hoop waardevols weg in vergelijking met de oorspronkelijke versie, maar dat kun je later altijd nog oppakken. De details zijn pas zinvol als je de hoofdlijnen te pakken hebt. De app van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen heeft zeer goede kinderversies (met illustraties) van de Bijbel en het Boek van Mormon, genaamd “Old Testament Stories”, “New Testament Stories” en “Book of Mormon Stories”. Voor de Nederlandstalige kinderversie verwijs ik graag naar de uitstekende podcast “Stemmen uit het stof” van Michael Vis en Neeltje Ardon.

Tip 2: stel jezelf vragen en gebruik Google. Als ik in de Schriften lees, probeer ik mezelf constant vragen te stellen. Hoe verhoudt deze tekst zich tot iets wat ik eerder heb gelezen? Wat betekent dit woord eigenlijk? Waarom staat er wat er staat? Is er een patroon zichtbaar en zo ja, wat probeert dat patroon ons duidelijk te maken? Een zegen (en vloek, helaas) van deze tijd, is dat we Internet hebben. We hoeven niet meer op een regenachtige zaterdagmiddag naar de bibliotheek te fietsen, maar hebben alle boeken en informatie ter wereld onder onze vingertoppen beschikbaar, slechts een paar klikken met de muis van ons verwijderd. Er is een schat aan boeken, video’s en podcasts voorhanden waar we ons voordeel mee kunnen doen.

Tip 3: doe aan slow reading. In deze moderne, hectische tijd zijn we gewend geraakt aan targets en deadlines en dat kan ook invloed hebben op de manier waarop we de Schriften lezen. Soms hebben we ons voorgenomen om een bepaald aantal hoofdstukken te lezen en razen we door de tekst, op weg naar onze target. Hoewel die manier van lezen kan helpen om de grote lijnen van het verhaal te doorgronden, kan het er ook voor zorgen dat we betekenisvolle details over het hoofd zien en zo de essentie missen van wat er gezegd wordt. Soms loont het de moeite om moeilijke passages meerdere malen te lezen en te overpeinzen, in plaats van te haasten om onze zelfopgelegde doelstelling te behalen.

Tip 4: luister naar de Heilige Geest. De Heilige Geest zal ons voortdurend ingevingen geven tijdens het lezen, maar die ingevingen hebben pas waarde als we die herkennen en ernaar handelen. Door niet te snel te lezen en af en toe de tijd te nemen om te overpeinzen wat we zojuist hebben gelezen, vergroten we de kans dat we de influisteringen van de Heilige Geest herkennen. Op die manier kan een boek van duizenden jaren oud, geschreven in een andere cultuur, ons toch raadgevingen aanreiken waarmee we ons voordeel kunnen doen in ons leven van nú.

Ik wil graag afsluiten door te benadrukken dat het Boek van Mormon een blijvende bron van betekenis in mijn leven is. Niet alleen zorgt het voor mijn dagelijkse inspiratie, maar ook en vooral is het de sluitsteen van mijn getuigenis. Het is werkelijk het woord van God en bevat de antwoorden op de meest belangrijke levensvragen, waaronder de allerbelangrijkste vraag: waarom zijn we hier op aarde? Dikke pil of niet: het Boek van Mormon geeft mij houvast en maakt mijn leven compleet.

Tolstoi en het Boek van Mormon

Ik vind het altijd interessant om uit te pluizen wat je favoriete schrijvers te zeggen hebben over Joseph Smith of over het Boek van Mormon. Wat vinden schrijvers die je bewondert eigenlijk van belangrijke aspecten van het geloof waar je zelf zo vol van bent?

Charles Dickens bijvoorbeeld, heeft een aantal opvallende dingen gezegd over de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (in die tijd nog “mormonen” genoemd). Charles Dickens reisde in 1842 naar de Verenigde Staten en verbleef daar zes maanden. Hij woonde een aantal bijeenkomsten van de mormonen bij en noemde in zijn reisverslag zelfs Joseph Smith. In 1842 leefde Joseph Smith nog, dus het is heel goed mogelijk dat Charles Dickens de oprichter van onze kerk heeft horen spreken. In zijn tijdschrift Household Words schreef Dickens: “Wat de mormonen doen, lijkt excellent te zijn. Wat ze geloven, is voor het grootste gedeelte nonsens.” Aan de ene kant prees hij de mormonen dus om hun gedrag – zo was hij erg onder de indruk van hun inspanningen op het gebied van liefdadigheid, aan de andere kant kon hij de inhoud van wat ze geloofden niet serieus nemen. Het is een bekend fenomeen: omdat de ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon zo ongeloofwaardig is, nemen veel mensen de inhoud ervan bij voorbaat niet serieus. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw kwam Charles Dickes in de boot waarmee hij naar de Verenigde Staten voer een groep mormoonse pioniers tegen. Dickens verwonderde zich erover dat deze mensen zo vrolijk waren, en helemaal niet op leken te kijken tegen de immense reis die voor hen lag. Hij was geïnteresseerd en raakte aan de praat met één van de mormonen. Dickens probeerde het gesprek te sturen in de richting van Joseph Smith, met als doel om de profeet belachelijk te maken. Dat lukte hem echter niet en na afloop van de ontmoeting schreef Dickens, nadat hij zich had verbaasd over het onberispelijke gedrag van de mormonen aan boord, het volgende: “ik ging aan boord van hun schip met de bedoeling om tegen hen te getuigen, wat ze – daar was ik van overtuigd – zouden verdienen, maar tot mijn grote verbazing verdienden ze dat niet”. Hij kwam, ondanks zijn eigen vooroordelen, tot de conclusie dat de mormonen onder een “opvallende invloed” stonden, die een opvallend resultaat opleverde, een resultaat dat door andere, “beter bekend staande invloeden”, niet bereikt zou kunnen worden (vergeef me mijn wat kreupele vertaling; ik kan het in het Nederlands helaas niet zo mooi opschrijven als Dickens het in het Engels deed).

Ook de grote Amerikaanse schrijver Mark Twain, bekend van onvergankelijke romans als De Lotgevallen van Tom Sawyer en De Lotgevallen van Huckleberry Finn, had een mening over de mormonen, en die mening was bepaald niet positief. Hij schreef: “Iedereen heeft gehoord over de mormoonse bijbel (hij bedoelt het Boek van Mormon), maar slechts een enkeling – behalve de “uitverkorenen” hebben het gezien, of op zijn minst de moeite genomen om het te lezen. Ik nam een kopie mee van Salt Lake. Het boek is een curiositeit voor mij, het is zo pretentieus, en toch zo langdradig, zo slaapverwekkend; zo’n smakeloos geïnspireerde rommel. Het is gedrukte chloroform. Als Joseph Smith het boek geschreven heeft, was die daad een wonder – in ieder geval om wakker te blijven terwijl hij dat deed.” Mark Twain maakte ook de grap dat als de uitdrukking “en het geschiedde” geschrapt zou worden uit het Boek van Mormon, er een pamflet over zou blijven in plaats van een boek.

Mark Twain was een groot schrijver, maar wat betreft het Boek van Mormon sloeg hij de plank finaal mis. Ik neem het hem niet kwalijk, en dat geldt ook voor Charles Dickens. Hoe zou ik zelf gereageerd hebben als in de negentiende eeuw had geleefd en voor het eerst in aanraking zou zijn gekomen met het Boek van Mormon? Waarschijnlijk had ik het boek ook belachelijk gemaakt. Het is de makkelijkste weg. Zoals ik hierboven al schreef: de ongeloofwaardige ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon vormt voor de meeste mensen een onoverkomelijk struikelblok.

Maar ook dichter bij huis en in onze tijd hebben schrijvers zich negatief of laatdunkend uitgelaten over het Boek van Mormon of over Joseph Smith. Ik las altijd graag de boeken van de Vlaamse filosoof Maarten Boudry, maar mijn bewondering voor hem kreeg wel een flinke knauw toe hij in zijn boek Illusies voor Gevorderden over Joseph Smith schreef: “In het openbaringsverhaal van het mormonisme (vijftien miljoen volgelingen wereldwijd) verbergt de engel Moroni gouden platen onder de grond en toont hij ze later aan de profeet Joseph Smith die ze in een hoed stopt samen met een magische steen. Wanneer hij zijn hoofd vervolgens in de hoed steekt, kan hij de geheime boodschappen op de gouden platen ontcijferen. Zoals in de uitspraak die aan de christelijke auteur Tertullianus (ca. 160-230) wordt toegeschreven: ‘Credo quia absurdum’, ik geloof omdat het absurd is. Hoe gekker de illusies, hoe liever dus.”

Een van mijn lievelingsschrijvers is Leo Tolstoi (ik geloof dat ik tegenwoordig eigenlijk Lev Tolstoj moet schrijven). Anna Karenina is één van mijn favoriete boeken aller tijden en heb ik meerdere malen gelezen. Ik bewonder niet alleen de boeken van Tolstoi, maar ook de schrijver en zijn moeizame worsteling met het Christelijke geloof. Aan het einde van zijn leven, na het schrijven van Anna Karenina, raakte Tolstoi in een geloofscrisis en keerde hij terug naar het Christelijke geloof van zijn jeugd. Hij had echter niet veel op met het instituut “kerk”. De Russisch-orthodoxe kerk excommuniceerde hem op 72-jarige leeftijd, nadat Tolstoi deze kerk jaren achter elkaar hypocrisie had verweten. Hij nam het op voor de verschoppelingen van de maatschappij en deed niets liever dan lesgeven aan arme kinderen of werken tussen de gewone arbeiders in het veld, wat een unicum was voor iemand van adel (Tolstoi was een graaf). Hij liet een lange baard staan en kleedde zich het liefst in eenvoudige boerenkleding. Tot aan zijn dood correspondeerde hij met Mahatma Gandhi, met wie hij het principe van geweldloos verzet deelde.

Als een groot bewonderaar van Leo Tolstoi was ik dan ook aangenaam verrast toen ik ontdekte dat deze schrijver een paar interessante connecties heeft met de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. De eerste connectie dateert van 1857, toen Tolstoi als 28-jarige graaf een reis naar West-Europa maakte, waar hij verschillende landen bezocht. In een trein in Zwitserland ontmoette hij een 30-jarige man uit de Verenigde Staten die hem voor het eerst vertelde over het mormonisme. We weten niet hoe deze man heette, wat zijn beroep was of wat hij in Zwitserland kwam doen. Was hij één van de eerste zendelingen uit Utah? Zou de man zich hebben gerealiseerd dat hij met één van de grootste schrijvers aller tijden aan het praten was? We weten het niet. Opvallend is dat Tolstoi na de ontmoeting het volgende in zijn aantekeningenboekje noteerde, met behoorlijk wat spelfouten:

“Amerikaan van dertig jaar oud die in Rusland is geweest. Marmons in Utha, Joss Smith hun oprichter, gedood door Glinchlaw. Heeft gejaagd op buffels en rendieren”.

Een aantal weken later ontmoette Tolstoi in Genève een zendeling, waarvan hij opnieuw gewag maakte in zijn aantekeningenboekje. Ook hier niet meer dan een korte, zakelijke mededeling, waardoor we niet te weten komen hoe Tolstoi nou eigenlijk dacht over de religie waarmee hij onverwachts in aanraking was gekomen. De eerstvolgende keer dat Tolstoi zich daar wél over uitliet, was maar liefst dertig jaar later, in een interview met de Amerikaanse journalist George F. Kennan. Tolstoi vertelde in het interview dat het hem stoorde dat de inwoners van Amerika hun eigen tradities geen eer bewezen door de mormonen zo te vervolgen (het was de tijd waarin de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen aan hevige kritiek onderhevig was door hun standpunten en praktijken rondom polygamie).

Dit interview werd na publicatie in Amerika gelezen door Susa Young Gates, één van de dochters van Brigham Young, een bekende leider van onze kerk in de negentiende eeuw en de opvolger van Joseph Smith. Ze besloot Tolstoi een uiterst vriendelijke brief te schrijven, waarin ze aanbood de “mormoonse” kant van de polygamie-discussie uit de doeken te willen doen, omdat er naar haar mening te veel over de mormonen werd geschreven, en te weinig van binnenuit door de mormonen. Ook bood ze aan een Boek van Mormon op te sturen, door anti-mormonen ook wel de “gouden bijbel” genoemd.

Voor zover we weten heeft Tolstoi zijn dochter de opdracht gegeven om Gates een brief terug te sturen, waarvan de inhoud ons onbekend is. In reactie daarop stuurde Susa Young Gates twee boeken naar Tolstoi: een boek van Mormon en een biografie over Joseph Smith. In de begeleidende brief benadrukte ze nog eens hoe groot haar bewondering voor de schrijver was en de verheven principes die hij erop nahield. Ze complimenteerde hem uitgebreid met een kort verhaal over het beleg van Sebastopol, dat Tolstoi tijdens en kort na de Krimoorlog van 1855-1856 schreef.

Tolstoi was onder de indruk van de tweede brief van Susa Young gates, want in zijn dagboek schreef hij op 1 januari 1889:

Ik stond op om hout te kappen, het was warm en ik ging ontbijten. Mijn gedachten waren opgehelderd. Een prachtige brief van een vrouw uit Amerika”.

In de weken daarna nam hij de tijd om het Boek van Mormon en de biografie van Joseph Smith te lezen. Volledig of gedeeltelijk, daar kunnen we slechts naar gissen. In zijn dagboek schreef hij vervolgens dat hij geschokt was door beide boeken, en dat het hem sterkte in zijn overtuiging dat religie het product was van teleurstelling, niet meer dan leugens voor een goed doel. Blijkbaar kon ook Tolstoi zich, net als Charles Dickens, niet over de onwaarschijnlijke ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon heen zetten, hoewel Tolstoi in een interview later in zijn leven heeft gezegd dat hij “religie die beweert zijn heilige boeken uit de aarde te hebben opgegraven prefereert boven een religie die beweert ze uit de hemel te hebben ontvangen”. Ook liet Tolstoi zich aan het einde van zijn leven positief uit over mormoonse vrouwen en de regels van kuisheid die mormonen (zowel mannen als vrouwen) erop nahouden.

In 1894 schijnt een Amerikaanse staatsman, Andrew D. White, een interview te hebben gehad met Tolstoi. In dat interview kwamen ook religieuze onderwerpen ter sprake. Ik moet er gelijk bij zeggen dat het verslag van dat interview pas in 1939 (dus meer dan veertig jaar later!) werd opgetekend door een kennis van Andrew D. White, die hem in 1900 over dat interview schijnt te hebben gesproken. Het “horen zeggen” gehalte is dus wel erg groot. Maar hoe het ook zij, in dat interview schijnt Tolstoi volgens de kennis van White het volgende gezegd te hebben over de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen:

“De mormonen onderwijzen de mensen niet alleen over de Hemel en de daarmee gepaard gaande heerlijkheden, maar ook onderwijzen zij zodanig te leven dat de sociale en economische betrekkingen tussen mensen zijn gefundeerd op een gezonde basis. Als de mensen de leringen van deze Kerk volgen, kan niets hun vooruitgang stoppen – het zal oneindig zijn. Er zijn in het verleden veel bewegingen gestart maar zij zijn uitgestorven of aangepast voordat zij de volwassenheid hebben bereikt. Als het mormonisme in staat is om vol te houden, zonder aanpassingen, totdat het zijn derde en vierde generatie bereikt, is het voorbestemd om de grootste macht te worden die de wereld ooit heeft gekend”.

Of Tolstoi het laatste nou daadwerkelijk heeft gezegd of niet, voor mij is er een opvallende parallel tussen zijn zienswijze op onze kerk en die van Charles Dickens. Beide schrijvers konden niet anders dan achterdochtig zijn tegenover het instituut “kerk”, met zijn regels, zijn hiërarchie maar vooral ook met zijn Boek van Mormon, waarvan de onwaarschijnlijke ontstaansgeschiedenis het menselijke geloof tot het uiterste op de proef stelt. Tolstoi en Dickens waren kinderen van de verlichting en moesten niets hebben van welke vorm van bijgeloof dan ook. Vooral Tolstoi wilde wel Christelijk zijn, maar dan zonder de dogma’s en de wonderen, getuige een passage uit het dagboek dat hij als twintiger bijhield. Bovendien was hij pertinent antiautoritair. Geloven in het Boek van Mormon en het volgen van een kerk die volgens duidelijke grondbeginselen strak is georganiseerd was voor hem overduidelijk een brug te ver. Maar zowel Tolstoi als Dickens, deze grote kenners van de menselijke natuur, mochten dan rationeel-kritisch staan tegenover het “mormonisme”, zij droegen de “mormonen” en alles waar zij voor stonden wel degelijk een warm hart toe. Voor mij is dat goed genoeg.

Geen zwaaiende wierookvaten

Eén van de eerste dingen die mij opvielen toen ik lid werd van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, was de soberheid van de kerkdiensten. Ik ben opgegroeid in de Rooms-Katholieke Kerk, met zijn uitgebreide en overdadige liturgie, waardoor er bijna elke zondag wel een pastoor of bisschop met een zwaaiend wierookvat het kerkgebouw rondging. Dit klinkt, merk ik nu ik het heb opgeschreven, een beetje denigrerend naar de Rooms-Katholieke Kerk toe, maar zo is het niet bedoeld. Ik houd van veel elementen van de Rooms-Katholieke traditie, alleen al omdat ze bij mij een sterk nostalgisch gevoel opwekken, een melancholiek terugverlangen naar de tijd van mijn jeugd, met zijn rituelen, gebruiken en kleur-, geur- en beeldrijke uiterlijke tekens van de innerlijke werking van het geloof. Geen kwaad woord dus over de Rooms-Katholieke liturgie. Ik ken grote delen van de traditionele Latijnse mis uit mijn hoofd, kan vol bewondering stilstaan bij een mooi vormgegeven heiligenbeeld en voor het Laudate Dominum KV 339 van Mozart mag je me ‘s nachts wakker maken.

In tegenstelling tot de eredienst in de Rooms-Katolieke Kerk hebben de kerkdiensten van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen een uitgesproken sober en praktisch karakter, waarbij het accent vooral ligt op de bediening van het avondmaal. Dat avondmaal bestaat uit simpel brood en water, dat door twee priesterschapsdragers wordt ingezegend door het uitspreken van een eenvoudig gebed. Vervolgens wordt het brood en water in eenvoudige plastic schalen en bekertjes rondgedragen door het kerkgebouw door andere priesterschapsdragers (in een andere blogpost zal ik uitgebreid ingaan op hoe het priesterschap in onze kerk is georganiseerd, ik volsta hier door op te merken dat wij het priesterschap zien als de bevoegdheid en macht die God aan mensen verleent om in Zijn naam te handelen, dat het priesterschap niet is voorbehouden aan de kerkleiders alleen of aan een beperkte clerus zoals in de Rooms-Katholiek Kerk en dat het priesterschap door handoplegging wordt overgedragen). Een kerkdienst ziet er grofweg als volgt uit: na een kort welkomstwoord door iemand van de bisschap spreekt een daartoe aangewezen persoon een persoonlijk gebed uit namens de hele gemeenschap, vervolgens wordt een lofzang gezongen, worden enkele bekendmakingen gedeeld en wordt het avondmaal ingezegend en bediend. Na het avondmaal houden twee of drie leden een toespraak over een Evangelie-onderwerp. Vervolgens wordt er weer gezongen en spreekt opnieuw een daartoe aangewezen persoon een slotgebed uit. Daarmee is wat wij noemen het “eerste uur” ten einde gekomen. Na een pauze van tien minuten volgt dan het “tweede uur”, waarin doorgaans lessen worden gegeven en groepsbijeenkomsten worden georganiseerd.

Dit alles vindt plaats in een kerkgebouw dat doorgaans de volgende indeling kent. De kapel, waar de meeste activiteiten zich plaatsvinden, bestaat uit een eenvoudige zaal zonder veel versieringen met vooraan een podium, een spreekgestoelte en een piano of orgel. Daarnaast zijn er in het kerkgebouw diverse klaslokalen voor lessen aan specifieke groepen, is er een ruime hal die ook gebruik wordt voor sport- en andere sociale activiteiten en ook een bescheiden keuken ontbreekt meestal niet. Wat opvalt is de afwezigheid van heilige voorwerpen, symbolische tekens of liturgische versieringen. Bij ons dus geen kruistekens, Mariabeeldjes of – inderdaad – zwaaiende wierookvaten. Alles is sober en functioneel en gericht op didactische activiteiten en/of geestelijke groei. Waarmee niet is gezegd dat er voor en na de kerkdienst geen tijd is voor gezelligheid en sociale contacten. Hierdoor zou ik de algehele kerksfeer eerder als gemoedelijk als plechtig bestempelen (met de kanttekening dat wij onze plechtigheid veelal bewaren voor het bedienen van het avondmaal en andere verordeningen en de échte plechtigheid is voorbehouden aan de tempel, waarover ook meer in een volgende blogpost).

In de paar jaar dat ik lid ben van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ben ik in de gelegenheid geweest om op meerdere plekken ter wereld naar de kerk te gaan, en wat mij opvalt is dat de hierboven beschreven blauwdruk, van de kerkdienst en van het kerkgebouw, overal ter wereld terugkomt. Daarbij maakt het niet uit of je nu op Bali, in Peru, op Bonaire, in Rotterdam of in Breda naar de kerk gaat. Onze kerk is een sobere, maar strak georganiseerde kerk vanuit een filosofie die alle continenten omspant. Wij beschouwen onze Kerk als het Koninkrijk van God op aarde, waarvan de organisatie al vanaf het allereerste begin beperkt en eenvoudig is geweest. Waarmee niet is gezegd dat onze kerk zich niet dynamisch kan aanpassen aan de specifieke behoeften van bepaalde tijden of locaties. Wat verder opvalt is dat wij geen beroepsclerus kennen. Of je nu bisschop of ringpresident bent, je wordt geacht het kerkwerk zonder betaling daarvoor in de avonden of in het weekend te doen, met als enige drijfveer het verlangen om het Koninkrijk van God op aarde verder uit te bouwen.

Met alle waardering die ik heb voor de overdadige liturgie van bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk, heb ik de eenvoudige organisatie van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen altijd als een verademing ervaren. Het is een organisatie die teruggaat naar de wijze waarop Jezus Christus zijn werk organiseerde, op een zodanig manier dat het evangelie onder meerdere volkeren gevestigd kon worden. Met Jezus Christus zelf als de hoeksteen van Zijn Kerk, die het Koninkrijk van God op aarde vormt. In onze kerk geven we niet alleen om onszelf, maar worden we geroepen om anderen te dienen. Samen vormen we het lichaam van Christus, waarvan Paulus in Korintiërs 12 verklaarde dat alle onderdelen van het lichaam even belangrijk zijn. De ogen, de handen, het hoofd, de voeten: het ene kan niet zonder het andere. Door met elkaar samen te werken in één wereldwijd georganiseerde kerk, worden we in staat gesteld om onze naastenliefde verder uit te bouwen. Daarnaast ontwikkelen we onze persoonlijkheid en onze talenten, lopen we tegen onze beperkingen aan om daarvan te leren en helpen we elkaar om de uitdagingen van het leven te kunnen aangaan. Onze kerk is geen plek waar perfecte Christenen bij elkaar komen, maar een plek waar onvolmaakte mensen samen proberen om boven zichzelf uit te stijgen, wat alleen maar mogelijk is gemaakt door het zoenoffer van Jezus Christus. Ik ben blij en dankbaar dat ik deel mag uitmaken van deze kerk.

Mysteries omtrent het boek Abraham

Het boek Abraham werd in 1842 gepubliceerd en maakt onderdeel uit van wat wij de Parel van grote waarde zijn gaan noemen, één van de heilige boeken van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Het verhaal in het boek Abraham komt voor een groot deel overeen met het verhaal over Abraham in de Bijbel, maar het verschaft belangrijke aanvullende informatie over het leven en de leerstellingen van Abraham. Ik wil het hier niet hebben over de inhoud van het boek Abraham, maar over de totstandkoming ervan, en de mysteries die erdoor omgeven zijn.

Het boek Abram begint met de volgende tekst:

Vertaald van de papyrus door Joseph Smith. Een vertaling van enkele zeer oude kronieken die in onze handen zijn gevallen, afkomstig uit de catacomben van Egypte. De geschriften van Abraham tijdens zijn verblijf in Egypte, het boek Abraham geheten, door hem eigenhandig op papyrus geschreven.

Joseph Smith verwijst hier naar oude kronieken, geschreven op papyrusrollen die hem “in handen zijn gevallen”. Voor de context van die gebeurtenis moeten we terug naar de inval van Napoleon in Egypte, zo’n slordige veertig jaar voordat Joseph Smith het boek Abraham vertaalde. Die inval van Napoleon was in militair opzicht weinig succesvol, omdat Napoleon al vrij snel door de Engelse admiraal Nelson in de pan werd gehakt in de Slag bij de Nijl. Napoleon vluchtte terug naar Frankrijk om daar de macht te grijpen. Maar het Egyptische avontuur van Napoleon zorgde er wel voor dat een aantal Europese wetenschappers en kunstenaars het tot dan toe onbekende Egypte in kaart ging brengen, waarbij vooral de piramides op hun grote belangstelling mochten rekenen. In heel Europa leidde de expeditie van Napoleon tot een grote Egypte-gekte, waar zelfs een officieel woord voor bestaat: egyptomanie. Europese huizen werden ingericht met meubels in Egyptische stijl en allerlei kledingstukken kregen een Egyptisch tintje. Ook de tulband raakte korte tijd in de mode. (In 1986 scoorden The Bangles een hit met hun nummer Walk Like an Egyptian. Misschien een verlate vorm van egyptomanie?)

De Egyptische heerser Mohammed Ali uit die tijd (niet te verwarren met de Amerikaanse bokser Muhammad Ali) werkte die egyptomanie maar al te graag in de hand in zijn drang om Egypte te moderniseren (lees: Europeser te maken). Hij wilde dolgraag van alle (in zijn ogen) oude troep en relieken af en verkocht ze voor een habbekrats aan geïnteresseerde buitenlanders. Hij wilde zelfs de Piramiden van Gizeh afbreken om de stenen ervan te gebruiken voor een dam op de Nijl, een plan dat gelukkig niet door is gegaan. Door deze drang om zich te ontdoen van Egyptisch erfgoed ontstond in hoog tempo een levendige handel in mummies, papyrusrollen enzovoorts. Deze verkwanselde mummies en papyrusrollen vonden snel hun weg naar de Europese musea. Via een Italiaanse handelaar in dienst van de Franse regering, Antonio Lebolo, vond een kleine collectie van Egyptische relieken (waaronder elf mummies en een handvol papyrusrollen) ook hun weg naar Amerika.

Vier van de Egyptische mummies en verscheidene papyrusrollen met daarop oude Egyptische teksten kwamen in Kirtland (Ohio) terecht, waar ze al snel de belangstelling trokken van Joseph Smith. Op zijn aandringen zamelden verscheidenen leden van de Kerk geld in om ze te kopen. Joseph Smith was al een tijdje geïnteresseerd in oude talen, waaronder Egyptisch. In 1835 begon hij met de vertaling van een aantal van de symbolen (hiërogliefen) en tot zijn vreugde ontdekte hij dat op één van de rollen de geschriften van Abraham stonden. Dat verklaart de hierboven aangehaalde tekst uit het boek Abram, vooral het “door hem (Abraham) eigenhandig op papyrus geschreven”. Joseph Smith ging door met vertalen en dit resulteerde in het boek Abram, zoals dit in 1842 werd gepubliceerd en in 1880 als onderdeel van de Parel van grote waarde werd gecanoniseerd.

We maken een sprong naar het jaar 1966. In dat jaar werden er elf fragmenten van de papyrusrollen die Joseph Smith in zijn bezit had ontdekt in de archieven van het Metropolitan Museum of Art in New York. Ze werden aan de Kerk gegeven en geanalyseerd door wetenschappers. Die kwamen tot de conclusie dat de teksten tussen 100 v.C. en 100 n.C. geschreven moesten zijn. En dat vormt een groot probleem als je je realiseert dat Abraham bijna tweeduizend jaar vóór Christus geleefd heeft. Kortom: Abraham kon de papyrusrollen nooit eigenhandig beschreven hebben.

Maar er was ook nog een ander probleem. Vóór het Boek van Abraham heeft Joseph Smith een replica van een afbeelding in de Parel van grote waarde laten opnemen. Deze replica ziet er als volgt uit:

Door de ontdekking van de fragmenten konden wetenschappers de hiërogliefen in kaart brengen die rond de afbeelding van de replica stonden. Deze hiërogliefen waren door Joseph Smith weggelaten en de wetenschappers kwamen erachter dat geen enkele van de hiërogliefen verwees naar Abraham of de gebeurtenissen uit het boek Abraham. De wetenschappers waren het erover eens dat de hiërogliefen niet overeenkomen met de vertaling van Joseph Smith van het boek Abraham. Er was geen consensus onder de wetenschappers over wat de hiërogliefen dan wél precies voorstelden. Ondertussen heeft nader onderzoek uitgewezen dat de papyrusfragmenten onderdeel uitmaakten van de dodenteksten die normaal gesproken bij mummies werden gelegd. Deze fragmenten worden gesitueerd tussen de derde eeuw v.C. en de eerste eeuw n.C., lang na de dood van Abraham.

Joseph Smith debunked? Voor veel critici van Joseph Smith is de problematische totstandkoming van het Boek van Abraham koren op hun molen. Niet alleen zijn de papyrusrollen veel jonger dan Abraham, en is dus de claim van Joseph Smith dat Abraham het Boek Abraham “eigenhandig” heeft geschreven niet langer houdbaar, maar ook lijkt de feitelijke context van de replica in het Boek Abraham niet overeen te komen met de voorstelling daarvan door Joseph Smith. En, zo redeneren de critici, als de herkomst van het Boek Abraham zo dubieus is, staat dan daarmee niet óók de authenticiteit van het Boek van Mormon op het spel? Valt het kaartenhuis hier niet mee in elkaar? Is Joseph Smith niet gewoon één grote fraudeur?

Veel sceptische mensen hadden (en hebben) hier problemen mee en ik moet eerlijk zijn: toen ik als nieuwsgierige onderzoeker het Boek van Mormon en de persoon van Joseph Smith aan het bestuderen was, deden ook bij mij de hierboven opgesomde feiten mijn wenkbrauwen meerdere keren in verwarring fronsen.

Inmiddels ben ik daar genuanceerder over gaan denken. Allereerst is het goed om ons te realiseren dat Joseph Smith nooit heeft beweerd dat de papyrusrollen autobiografisch waren, dat wil zeggen geschreven door Abraham. Hij heeft zelfs nooit beweerd dat ze uit de tijd van Abraham afkomstig waren. Volgens Joseph Smith was het boek Abraham ‘een vertaling van enkele zeer oude kronieken die in onze handen zijn gevallen, afkomstig uit de catacomben van Egypte, ogenschijnlijk de geschriften van Abraham, terwijl hij in Egypte was’ (Times and Seasons, 1 maart 1842). Het is gebruikelijk om het werk van een schrijver ‘zijn’ geschriften te noemen, ook als die geschriften niet zelf door hem zijn opgesteld. Ze kunnen zelf geschreven zijn, maar ook aan anderen gedicteerd, of het kan zijn dat anderen zijn geschriften later hebben overgeschreven. Oude kronieken worden vaak als kopieën of als kopieën van kopieën overgeleverd. De kroniek van Abraham kan dus heel goed bewerkt of geredigeerd zijn door latere schrijvers, net zoals door Mormon en Moroni is gedaan met de geschriften van oudere volkeren toen zij het Boek van Mormon samenstelden. In de loop van de geschiedenis zien we ook vaak dat documenten uit een bepaalde context later in een andere context of voor een ander doel worden (her)gebruikt. Het is heel goed mogelijk dat dit ook met de kroniek van Abraham is gebeurd. Afbeeldingen die oorspronkelijk gerelateerd waren aan Abraham, kunnen uit hun context zijn gelicht en honderden jaren later zijn gebruikt in begrafenisrituelen in het oude Egypte.

In dat kader is het ook relevant om even stil te staan bij de manier waarop Joseph Smith het Boek van Mormon vertaalde. Joseph Smith had belangstelling voor oude talen, maar hij heeft nooit beweerd dat hij tijdens het vertalen van het Boek van Mormon kennis had van de taal waarin het was geschreven. Hij kon het vertalen omdat God hem daartoe in staat stelde. Er is weinig bekend over het vertaalproces van het Boek van Mormon, maar het lijkt erop dat Joseph Smith tijdens de vertaling ervan niet eens naar de gouden platen keek. Hij gebruikte de zienersstenen Urim en Thummim. Het vertalen van het Boek van Mormon was dus geen vertalen in de traditionele zin, waarbij we er vanuit gaan dat de vertaler zowel de taal van de bron- als die van de doeltekst kent. Met betrekking tot de vertaling van het Boek van Mormon zei de Heer: ‘U kunt hetgeen heilig is niet schrijven tenzij het u van Mij wordt gegeven (Leer en Verbonden, afdeling 9, vers 9). In diezelfde afdeling van Leer en Verbonden leren we dat zowel intellectuele arbeid als openbaring essentieel zijn voor de vertaling van heilige verslagen. Het was nodig om het ‘in gedachten uit te vorsen’ en vervolgens geestelijke bevestiging te vragen. Volgens getuigenverslagen heeft Joseph Smith de papyrusrollen uitgebreid bestudeerd. Er zijn ook aanwijzingen dat Joseph Smith de tekens op de Egyptische papyrusrollen bestudeerde en probeerde de Egyptische taal te leren. In zijn dagboek schreef hij dat hij in juli 1835 ‘voortdurend bezig was met de vertaling van een alfabet voor het Boek Abraham, en met het samenstellen van een grammatica van de Egyptische taal uit de oudheid’. Wat deze grammatica met het Boek Abraham te maken heeft, is niet helemaal duidelijk. De grammatica strookt ook niet met de hedendaagse kennis van het Egyptisch. Ik geloof persoonlijk dat dit ‘uitvorsen’ ertoe heeft geleid dat Joseph Smith openbaringen ontving over belangrijke leerstellingen en gebeurtenissen uit het leven van Abraham, net zoals eerder gebeurd was toen hij tijdens het bestuderen van de Bijbel openbaringen over het leven van Mozes ontving. In dat verband is het niet langer relevant of de door God geleide vertaling door Joseph Smith letterlijk overeenkomt met de hiërogliefen op de papyrusrollen. Ik denk eerder dat de papyrusrollen als katalysator dienden, als een aanleiding tot overpeinzing en meditatie die uiteindelijk leidde tot openbaring.

De onduidelijke herkomst van het Boek Abraham versterkt mijn geloof eerder dan dat het mijn geloof verzwakt. In Abraham 3: 25 lezen we dat de Heer ons zal beproeven en ik denk dat de oorsprong van het Boek Abraham een onderdeel uitmaakt van die beproeving. We weten gewoon niet exact hoe het Boek tot stand is gekomen en dat is maar goed ook, want er moet wel wat te geloven over blijven. Niemand is zo ongelovig als de persoon die niet wíl geloven. Waarheid en onzekerheid hoeven niet tegenover elkaar te staan, maar kunnen hand in hand gaan als we onze keuzevrijheid gebruiken en ervoor kiezen om te geloven. Waarbij het nooit een gespreid bedje zal zijn; bij tijd en wijle zal het altijd schuren en wringen. Maar na zorgvuldige bestudering ligt het Boek Abraham mij inmiddels na aan het hart. De waarde ervan hangt dan ook niet zo zeer af van de historische achtergronden of fysieke bewijzen ervan, maar van de kracht van de inhoud – een inhoud die we slechts ten volle tot ons kunnen nemen als we het in serieus gebed overwegen.

De inhoud van het Boek Abraham is te uitgebreid om te bespreken in deze blogpost – daarover een andere keer meer. Ik volsta hier door te melden dat het een fascinerend boek is, en dat diverse elementen eruit perfect passen bij onze hedendaagse kennis van de oude wereld. Deze kennis was nog niet beschikbaar in de tijd van Joseph Smith. Zo weten we inmiddels dat het in de tijd van Abraham gebruikelijk was om mensen te straffen zoals in Abraham 1: 11-12 staat beschreven. Het Boek Abraham vermeldt ook ‘de vlakte van Olishem’, een benaming die niet in de Bijbel voorkomt. Pas in de twintigste eeuw werd een oud opschrift ontdekt dat melding maakt van de stad ‘Ulisum’, in het noordwesten van Syrië. Ook is Abraham 3: 22-23 geschreven in een poëtische vorm die typerend is voor talen uit het Nabije Oosten, maar die in negentiende eeuwse Amerikaanse geschriften zelden tot nooit voorkomt. Ook stemt het Boek Abraham tot in detail overeen met niet-Bijbelse (apocriefe) verhalen over Abraham die dateren uit dezelfde periode als de papyrusrollen. In facsimile 1 en Abraham 1:17 wordt melding gemaakt van de afgod Elkenah. Deze god komt niet voor in de bijbel, maar inmiddels hebben moderne wetenschappers ontdekt dat Elkenah deel uitmaakt van de goden die in het oude Mesopotamië werden aanbeden. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Zoals ik al zei: het is fascinerend.

Belangrijker dan al deze feiten is natuurlijk wat het Boek Abraham ons wil vertellen. En die inhoud is haast nog fascinerender dan de ontstaansgeschiedenis die ik hierboven uit de boeken heb proberen te doen (een tipje van de sluier: er is zelfs een link met de speciale relativiteitstheorie van Einstein). Daarover een volgende keer meer.

Geen backspace of delete knop

Foto door FOX op Pexels.com

Het viel mij al op bij mijn eerste lezing van het Boek van Mormon: het soms merkwaardige gebruik van de correctieve woorden “of liever”, “ofwel” of simpelweg “of”. Een voorbeeld vinden we in het boek Alma, hoofdstuk 2, vers 34 (met mijn eigen cursivering): “En zo maakte hij het terrein vrij, of liever de oever die ten westen van de Sidon was, en wierp de lichamen van de Lamanieten die waren gedood in de wateren van de Sidon…”

Een ander voorbeeld vinden we in Alma, hoofdstuk 24, vers 19: “… en aldus zien wij dat zij hun vredeswapens begroeven, ofwel hun oorlogswapens begroeven, omwille van de vrede.”

Eerst dacht ik dat het hier om een nadere verduidelijking van de schrijver ging, maar dat is het niet: het gaat echt om een correctie. De verteller schrijft iets op en corrigeert zichzelf vervolgens door de zojuist opgeschreven tekst te herhalen, maar dan in de correcte vorm. In het eerste voorbeeld realiseert de verteller zich dat het niet zomaar om een terrein gaat, maar om de oever van een rivier. Dat zou je nog als een verduidelijking kunnen beschouwen. Maar in het tweede voorbeeld is het zonneklaar dat de verteller zich vergist: hij wil het over “oorlogswapens” hebben, maar schrijft per ongeluk “vredeswapens”.

Het is een merkwaardige manier van corrigeren, die wij niet meer gewend zijn te gebruiken in onze hedendaagse teksten. Daar is een simpele reden voor. Als wij in deze tijd iets schrijven (of tikken) wat niet juist is, dan corrigeren we dat gewoon. Op onze computer of op onze mobiele telefoon hebben we daar gewoon toetsen of trucjes voor, namelijk de backspace of delete knop, of de knoppencombinatie control z. Enkele decennia geleden, toen we nog geen computers maar typemachines tot onze beschikking hadden, gebruikten we correctievloeistof, bijvoorbeeld Tipp-ex, als we iets op papier hadden getypt dat we wilden corrigeren.

De oorspronkelijke schrijvers van de teksten in het Boek van Mormon hadden niet de beschikking over Tipp-ex, backspace of control z. Zij etsten hun tekst namelijk op gouden platen, waardoor er eigenlijk geen ruimte voor fouten was. Het moest in één keer goed zijn, want iets wat geëtst is op gouden platen kun je onmogelijk herstellen. Misschien dat je sommige letters (of in dit geval: Egyptische hiërogliefen) nog wel kon herstellen door er hier en daar een streepje bij te etsen, maar een verkeerde uitdrukking corrigeren: vergeet het maar. Dat is gewoonweg onmogelijk. Maar fouten maken is menselijk, en aangezien het Boek van Mormon is geschreven door mensen van vlees en bloed, moesten de schrijvers ervan wel hun toevlucht zoeken tot een meer creatieve vorm van corrigeren.

Een uitgebreide vorm van corrigeren vinden we in Nephi 1, hoofdstuk 19, vers 7 (opnieuw met mijn eigen cursivering): “Want de dingen die sommigen van grote waarde achten, voor zowel het lichaam als de ziel, achten anderen als niets en treden die onder de voeten. Ja, zelfs de God van Israël treden de mensen onder de voeten; ik zeg: treden zij onder de voeten, maar ik zal andere woorden gebruiken: zij achten Hem als niets en luisteren niet naar de stem van zijn raadgevingen.” Het is alsof de schrijver eerst vol overtuiging, namelijk tot twee keer toe, de uitdrukking “onder de voeten treden” gebruikt, maar zich dan plotseling realiseert dat deze vlag de lading niet helemaal dekt. Hij nuanceert de tekst vervolgens door een hele andere uitdrukking te gebruiken, want iemand niet achten en niet luisteren naar zijn raadgevingen is natuurlijk iets heel anders dan iemand onder de voeten treden. Overigens denk ik dat het correcter was geweest om het Engelse “to trample under their feet” te vertalen met de uitdrukking “met voeten treden”. Volgens mij is “onder de voeten treden” een te letterlijke vertaling uit het Engels, ofwel een anglicisme. Maar ik ben geen taalkundige en we dwalen nu een beetje af. De kern van mijn betoog is dat de schrijver zichzelf op een creatieve manier moest corrigeren, of op zijn minst nuanceren, door in andere woorden de boodschap te herhalen, omdat de ets op de gouden platen nu eenmaal niet ongedaan kon worden gemaakt.

Voor mij is dit één van de vele bewijzen van de waarachtigheid van het Boek van Mormon. Waarom zou Joseph Smith, een ongeschoolde, 22-jarige jongeman in het Amerika van de vroege negentiende eeuw, dit soort details verzinnen bij het schrijven van het Boek van Mormon? Nee, dit bewijst voor mij dat hij daadwerkelijk bezig was om, met behulp van goddelijke inspiratie, de oorspronkelijke tekst van de gouden platen te vertalen van het oud-Egyptisch naar het Engels.

Ik ben even op internet gaan grasduinen, en daar kwam ik nog een paar interessante feiten tegen als het gaat om correcties in het Boek van Mormon. Op de zogenaamde kleine platen komen 1598 verzen voor die gecorrigeerd moesten worden; dat komt neer op één correctie per 319 verzen. Op de zogenaamde grote platen komen 4476 verzen voor die gecorrigeerd moesten worden; dat komt neer op één correctie per 59 verzen. Op de grote platen komen dus aanzienlijk meer correcties voor dan op de kleine platen. Hoe valt dat te verklaren? De kleine platen bevatten de oorspronkelijke geschriften van een aantal auteurs, terwijl de grote platen een samenvatting bevatten van andere geschriften die is samengesteld door Mormon. Het lijkt mij aannemelijk dat je als schrijver meer fouten maakt bij het samenvatten van andermans geschriften dan dat je zou maken bij het opstellen van je eigen geschriften. Ook zien we verschillen in het aantal correcties in de geschriften van de oorspronkelijke auteurs, in dit geval Nephi, Jacob, Mormon en Moroni, die gerelateerd lijken te zijn aan de haast waarmee de auteurs te werk gingen. Mormon bijvoorbeeld, die naast het beschrijven van de platen ook oorlog moest voeren, had veel minder tijd tot zijn beschikking dan zijn zoon Moroni, die de platen het grootste deel van de tijd in eenzaamheid kon vullen. Moroni blijkt dan ook aanzienlijk minder correcties nodig te hebben dan Mormon.

Over dit onderwerp valt nog veel meer te zeggen. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de schrijfstijlen van de verschillende auteurs van het Boek van Mormon. Iedere auteur heeft zijn eigen handtekening achtergelaten door het gebruik van specifieke zelfstandige naamwoorden, voegwoorden en andere verbindingswoorden, lengte van zinnen, thematiek enzovoorts. Het is naar mijn mening onmogelijk dat Joseph Smith dat allemaal bij elkaar verzonnen zou kunnen hebben; daar is het boek simpelweg te consistent en te complex voor.

Omdat ik een rationeel ingesteld mens ben, hebben al dit soort details mij enorm geholpen bij het krijgen van een getuigenis over het Boek van Mormon. Ik ben ervan overtuigd dat het waar is. Natuurlijk zijn feiten niet voldoende om tot geloof te komen, maar in dit verband haal ik graag de bekende filosoof en theoloog Austin Farrer aan:

Though argument does not create conviction, lack of it destroys belief. What seems to be proved may not be embraced; but what no one shows the ability to defend is quickly abandoned. Rational argument does not create belief, but it maintains a climate in which belief may flourish.

Ik had dit soort weetjes en feitjes destijds nodig om tot de overtuiging te komen dat het Boek van Mormon waar is. Deze verstandelijke basis en voorbereiding was voor mij een belangrijk voorportaal voor de geestelijke bevestiging die uiteindelijk de doorslag gaf. Het is jammer dat er vanuit de wetenschap niet meer aandacht is voor de gelaagdheid van het Boek van Mormon. Het is alsof de ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon een serieuze bestudering ervan in de weg staat. Voor veel mensen zijn de visioenen van Joseph Smith en de ontdekking van de gouden platen zo onwaarschijnlijk dat ze niet kunnen geloven dat het Boek van Mormon daadwerkelijk duizend jaar precolumbiaanse Amerikaanse geschiedenis bevat. Maar ik wil het omdraaien: voor mij is het onmogelijk dat een 22-jarige jongeman die amper scholing had ontvangen en moeizaam kon schrijven in slechts 65 werkdagen het meer dan 500 bladzijden tellende Boek van Mormon bij elkaar kon verzinnen. Daar is het boek gewoonweg te gelaagd en te complex voor. Dit kleine relaas, over correcties in het Boek van Mormon, is nog maar het topje van de ijsberg. Het Boek van Mormon vertelt niet alleen een boeiend en coherent verhaal, maar het beantwoordt ook nog eens vele theologische vragen, verduidelijkt obscure passages uit de bijbel en creëert een hedendaagse voedingsbodem voor eeuwenoude teksten. Ik ben heel blij en dankbaar dat ik het Boek van Mormon heb mogen ontdekken. Het heeft mijn leven veranderd.

God en Zijn lichaam

Als gelovigen van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen geloven wij dat God de Vader en Zijn Zoon twee afzonderlijke personen zijn, die beiden een tastbaar lichaam hebben. Waarom wij dat geloven? Het eenvoudige antwoord is dat onze geschriften en onze profeten daarvan onomwonden en unaniem getuigen.

Het heeft echter lang geduurd voordat ik gewend was aan dat idee. Toen ik voor het eerst kennis maakte met de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, had ik namelijk een heel ander Godsbesef. God, dat was voor mij niet zozeer een persoon, als wel een allesbeheersende kracht in het universum, de oneindigheid zelf, een niet te bevatten abstractie. In mijn jeugd had ik wel eens plaatjes gezien van God de Vader: dat was dan een oudere man met een witte baard, een mythische figuur die op zijn hemelse troon tussen de wolken zat en beschikte over leven en dood. Dat Godsbeeld heb ik na mijn jeugd altijd beschouwd als een naïeve simplificatie van de werkelijkheid. God is haast per definitie niet te bevatten, zo dacht ik, dus elke voorstelling van Hem is gedoemd om te mislukken.

In veel religies wordt het lichaam gezien als iets tijdelijks, als iets waaruit de geest bevrijd moet worden. Pas na de dood is de geest daadwerkelijk vrij en wordt deze niet langer geketend door een onvolmaakt lichaam. Toch is, als je de Bijbel goed leest, die onvolmaaktheid van het lichaam niet vanzelfsprekend. Zo lezen we in Lucas 24:39 dat Jezus Christus enkele dagen na Zijn opstanding aan Zijn discipelen verschijnt en tegen hen zegt: “Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.” Daarna eet Jezus zelfs een stuk van een gebakken vis en van een honingraat om te bewijzen dat Hij een fysiek lichaam heeft. In Johannes 27 zegt Jezus tegen de ongelovige Thomas: “Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig.” Lichamelijkheid wordt hier niet neergezet als iets verwerpelijks, als iets dat overwonnen moet worden. Jezus bereikt na Zijn opstanding de volmaaktheid en blijkbaar hoort daar een tastbaar lichaam bij. Het is weliswaar een eeuwig en onvergankelijk lichaam, maar desalniettemin een lichaam.

Als Jezus in Zijn volmaaktheid een lichaam nodig heeft, waarom zou dat dan ook niet gelden voor Zijn Vader? In Genesis 1:26 staat geschreven: “En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis” en ook in Exodus 33:11 staat: “En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt”. In beide gevallen wordt God neergezet als een werkelijk persoon. Ook op andere plaatsen in de Bijbel wordt God voorgesteld als een persoon, die over menselijke eigenschappen beschikt zoals liefde, medelijden en barmhartigheid. Als Jezus Christus de volmaaktheid bereikt met een lichaam, waarom zou Zijn Vader dan volmaakt zijn zonder lichaam?

Dat God menselijke eigenschappen bezit, betekent niet dat Hij niet ver boven ons verheven is. God heeft weliswaar een lichaam, maar Hij is ook almachtig, alwetend en alomtegenwoordig. Hij beschikt over een volmaakte kennis over de materie en de natuurwetten, waardoor Hij werelden kan scheppen en onze werkelijkheid naar Zijn hand kan zetten. Vergeleken met de oneindigheid van God zijn wij mensen uitermate beperkt, maar toch maakt de lichamelijkheid van God Hem meer benaderbaar en voelt Hij dichterbij dan wanneer Hij een kosmische abstractie zou zijn.

Als leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen beschouwen wij het hebben van een lichaam als een goddelijke eigenschap. Dat Satan en zijn volgers geen lichaam hebben, is het gevolg van de straf die God hen heeft opgelegd. Als mensen hebben wij een lichaam nodig om tijdens onze proeftijd op aarde vreugde te ervaren, beproevingen te ondergaan en vooruitgang te boeken. Het lichaam is niet slechts een omhulsel voor onze geest, zoals velen geloven. Ons lichaam is een onlosmakelijk onderdeel van onze ziel: zij zijn samen één. De wetenschap dat God een lichaam heeft en dat hij ons naar Zijn gelijkenis ook een lichaam heeft gegeven, bevreemdt mij niet langer, maar vervult mij met vreugde.

Je geloof bij elkaar shoppen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Het is deze dagen een drukte van belang in de religieuze supermarkt. Dat is begrijpelijk, want er is van alles te krijgen: naast de standaard wereldreligies als het christendom, de islam, het boeddhisme en het hindoeïsme staan er ook yoga, mindfulness en helende klankschalen in de schappen. Vooral seculiere westerlingen zijn eraan gewend geraakt dat ze hun eigen spiritualiteit bij elkaar kunnen shoppen. Dat shoppen komt erop neer dat je eerst bij jezelf nagaat wat je wil geloven, om vervolgens in de rekken te grasduinen of er iets van je gading bij zit, iets wat je ook kan geloven. Het is een hyperindividualistische benadering, waarin het geloof een optelsom is geworden van de persoonlijke behoeften, visies en overtuigingen. Daar is niets mis mee: in deze tijd blijken mensen meer dan ooit behoefte te hebben aan zingeving en als op deze manier invulling wordt gegeven aan die behoefte, valt dat alleen maar toe te juichen.

Ook in mijn pubertijd, en dan heb ik het over de jaren zeventig en tachtig, bestond die zoektocht naar zingeving en spiritualiteit al. Zo vormde een bezoek aan de tempel van de Hare Krishna’s in Amsterdam een standaard onderdeel van het introductieprogramma van de Universiteit van Amsterdam in 1986, het jaar waarin ik ging studeren. Zingende Hare Krishna’s, die met hun kaalgeschoren hoofden en in oranje priestergewaden door de binnenstad trokken, waren geen ongebruikelijk aanzicht in het Amsterdam van die tijd. Net als de sannyasins, de in het rood geklede volgelingen van Bhagwan die met hun kralenkettingen dansend door de stad trokken. Er was zelfs een Bhagwandisco, genaamd Zorba the Buddha, waar iedereen welkom was en waar een onbekend middeltje werd verkocht waar je heel blij van werd. Later werd dat middeltje bekend als de partydrug xtc. Ik vond het allemaal machtig interessant, maar voelde geen enkele behoefte om me aan te sluiten bij deze bewegingen en xtc heb ik ook nooit gebruikt. Waar ik wél geïnteresseerd in was, waren de denkbeelden van de uit India afkomstige Jiddu Krishnamurti. Die denkbeelden waren losjes gebaseerd op het taoïsme en het zenboeddhisme en kwamen erop neer dat een mens pas volledig spiritueel vrij is als de eigen geest en de reacties daarvan aandachtig en zonder oordeel geobserveerd kunnen worden. Ook kwam ik via de Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood op wiens boeken ik verzot was (Mr. Norris Changes Trains is nog steeds één van mijn lievelingsboeken) in aanraking met de Hindoeïstische filosofie.

Door mijn geflirt met verschillende spirituele denkbeelden en filosofieën in mijn jonge jaren heb ik veel geleerd. In bijna alle godsdiensten of spirituele stromingen schuilt wel iets goeds. Ik moet denken aan het elfde Geloofsartikel van onze kerk, opgesteld door onze oprichter Joseph Smith: “Wij eisen het goed recht de almachtige God te aanbidden volgens de stem van ons eigen geweten, en kennen alle mensen hetzelfde goed recht toe: laat hen aanbidden hoe, waar of wat zij willen”. Ik heb lange tijd gedacht dat wij tijdens ons aardse leven nooit het ultieme doel van ons leven zullen ontdekken, maar dat er in elke religie wel een snippertje waarheid schuilt. Als we tijdens ons leven maar genoeg van die snippertjes verzamelen, hebben we met een beetje geluk vlak voor onze dood genoeg inzichten vergaard om de dood op zijn minst met een beetje vertrouwen tegemoet te treden.

Inmiddels denk ik daar heel anders over. Of laat ik het anders stellen: als ik mijn geloof zelf bij elkaar had moeten shoppen, was ik nooit uitgekomen bij het geloof dat ik sinds tweeëneenhalf jaar volledig heb omarmd. Bij mij is mijn bekeringsproces dan ook heel anders gegaan. In plaats van op zoek te gaan naar iets wat ik zou willen geloven, ben ik uitgekomen bij een geloof dat ik uiteindelijk wel moest geloven, of ik nou wilde of niet. Daar kwam geen enkele druk of dwang bij kijken, maar het was puur het gevolg van persoonlijk gebed.

Voor mij was de sleutel tot geloof het Boek van Mormon. Aan het eind van het Boek van Mormon, in het Boek Moroni, kun je in hoofdstuk 10, vers 4 het volgende lezen:

“En wanneer u deze dingen ontvangt (Moroni heeft het hier over het lezen van het Boek van Mormon), spoor ik u aan God, de eeuwige Vader, in de naam van Christus te vragen of deze dingen niet waar zijn; en indien u vraagt met een oprecht hart, met een eerlijke bedoeling en met geloof in Christus, zal Hij de waarheid ervan aan u openbaren door de macht van de Heilige Geest”.

Let wel, deze belofte lees je in het Boek van Mormon pas helemaal aan het einde, als je er al bijna 700 bladzijden op hebt zitten. Moroni zegt hier eigenlijk: bid tot God en vraag hem of het Boek van Mormon waar is. Als je dat met eerlijke bedoelingen doet, zul je ook een eerlijk antwoord krijgen. Dat antwoord heb ik gekregen, en sinds dat moment weet ik dat alles wat in het Boek van Mormon staat, waar is.

Die overtuiging bracht met zich mee dat ik alle aspecten van onze kerk heb omarmd, ook als dat aspecten waren die ik aan het begin lastig in de praktijk te brengen vond, of moeilijk te begrijpen. Onder het eerste schaarde ik de aanbeveling om geen wijn en koffie meer te drinken, twee dranken die ik graag tot mij nam. Onder het tweede schaarde ik het feit dat God een persoon van vlees en beenderen is, die bestaat naast Jezus Christus als apart fysiek persoon. Opgegroeid in de Katholieke traditie had ik God altijd beschouwd als “iets”: een ontastbare, transcendente entiteit en mystiek wezen, niet een persoon met een lichaam. Deze twee moeilijke aspecten had ik nooit van mijn leven bij elkaar kunnen shoppen, omdat ze indruisten tegen mijn intuïtie.

Toen ik eenmaal tot de conclusie was gekomen dat het Boek van Mormon waar is, heb ik daarmee een sprong in het diepe genomen. Ik realiseerde me dat er nog veel aspecten binnen ons geloof waren die ik niet goed kon duiden, maar die met de tijd wel duidelijker zouden worden. En zo is het de afgelopen tweeënhalf jaar ook gegaan. Nog steeds zijn er veel puzzelstukjes die ik niet kan leggen, maar het worden er steeds minder en het heeft mijn geloof in de eindpuzzel nooit doen wankelen. Als je puzzelt is het beter om de stukjes die je nog niet kunt plaatsen voorlopig aan de kant te leggen, in plaats van de hele puzzel gefrustreerd terug in de doos te doen. Het is spannend om in het diepe te springen, maar die overgave heeft ook iets bevrijdends. Soms is het heerlijk om te beseffen dat je iets aan het ontdekken bent dat groter is dan jezelf.

Het mooie van die overgave is dat God je er altijd voor zal belonen. Sinds ik het Boek van Mormon voor de eerste keer heb uitgelezen, is mijn geloof alleen maar gegroeid. Dingen die ik eerst niet begreep, begin ik nu te begrijpen. Dat heet persoonlijke openbaring, en God zal je er rijkelijk mee belonen als je eenmaal de eerste stap tot geloof hebt durven zetten. Geloof is actie, gebaseerd op vertrouwen, en als er iets is waar God van houdt dan is het van actie. Maar de eerste stap zal altijd uit jezelf moeten komen, want daarvoor respecteert God onze individuele keuzevrijheid te veel.

Persoonlijke openbaring is iets heel anders dan het bij elkaar shoppen van je eigen geloofsovertuigingen. Het volgt op overgave, op de beslissing om je eigen vooringenomenheden overboord te zetten, gebaseerd op het vertrouwen dat God beter weet wat goed voor je is dan dat je dat zelf weet.

Ik weet het niet

René heeft net zijn patriarchale zegen gehad, dus we belichten even wat het belang daarvan is. Verder staan we ook stil bij een omstreden toespraak van Brad Wilcox over de ban voor mensen van Afrikaanse afkomst en besluiten dat “ik weet het niet” soms gewoon het enige juiste antwoord is. Boekenwurm René heeft Not My Will, but Thine gelezen en we besluiten met een gebed voor de vrede.

https://www.dekastvanmormon.info/2022/aflevering-70-ik-weet-het-niet/

Geloof is niet blind

Onlangs las ik het boek “Faith Is Not Blind” van het echtpaar Bruce C. Hafen en Marie K. Hafen. Dezelfde auteurs maken ook een podcast met dezelfde naam. Ik kan zowel het boek als de podcast van harte aanbevelen. De audiokwaliteit van de podcast is niet zo goed, maar daar raak je snel aan gewend. Ik zal hieronder in mijn eigen woorden proberen te beschrijven wat de belangrijkste boodschap van het boek is en wat deze boodschap voor mij persoonlijk betekent. Ik zal veel citaten uit het boek aanhalen, maar deze ook vermengen met mijn eigen woorden.

We leven in een tijd waarin veel mensen in hun eigen bubbel leven. Die bubbel kan een netwerk van FaceBook zijn, een vriendenclub of een geloofsgemeenschap. Er valt bijna niet aan te ontkomen. Ook veel leden van onze Kerk, de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, leven in een bubbel, vooral in de Verenigde Staten. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Het leven in een bubbel wordt pas problematisch als mensen hierdoor minder aangename of verwarrende zaken buiten de deur proberen te houden. Maar soms lukt dat niet en worden mensen geconfronteerd met zaken die hun wereld op zijn kop zetten. Dat kan een traumatische gebeurtenis als een echtscheiding zijn, of een bepaald inzicht dat zich in eerste instantie niet goed lijkt te verhouden tot het bestaande geloof. Er kunnen dan twee dingen gebeuren: ofwel mensen vluchten terug naar hun eigen bubbel en sluiten hun ogen voor de nieuwe complexiteit in hun leven, ofwel ze raken zo gedesillusioneerd dat ze hun geloof helemaal kwijt raken. Het echtpaar Hafen roept op tot een derde alternatief, namelijk het ontwikkelen van een geloof dat door de weerstand heen is gebroken, authentiek is, getest is en tegen een stootje kan.

Daarbij onderscheiden Bruce en Marie Hafen drie fasen. De eerste fase noemen zij “simplicity on this side of complexity”. Het is de naïeve, simpele fase, waarin mensen in een bubbel leven en het geloof onwankelbaar lijkt. De tweede fase is de fase van complexiteit. Er blijkt opeens een gapend gat te zijn tussen de “echte” wereld en de wereld van het ideaal. Dat is de fase waarin mensen, als zij niet uitkijken, gedesillusioneerd raken en hun geloof kwijt raken. De derde fase noemen Bruce en Marie Hafen “simplicity beyond complexity”. Het is een perspectief op het leven dat door en door getest is, op feiten is gebaseerd en is verfijnd door ervaring.

De bekende schrijver en filosoof John Milton heeft ooit gezegd: I cannot praise a fugitive and cloistered virtue, unexercised and unbreathed, that never sallies out and sees her adversary. Daar sluit ik me van ganser harte bij aan. Liever iemand die zijn geloof gescherpt heeft door met beide benen in het leven te staan dan een kloosterling. Echt geloof is blind noch doof. Echt geloof heeft tegenstand in de ogen gekeken en deze overwonnen.

Eenvoud omarmen is goed, proberen de complexiteit in ons leven te begrijpen is noodzakelijk en de harmonie tussen deze twee aanbrengen brengt rijkdom, perspectief en balans in ons leven met al zijn complexe ervaringen. Ik ben nog geen jaar geleden gedoopt in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, in mijn 53e levensjaar, en soms vind ik het jammer dat ik niet “in de kerk” ben geboren en niet al vanaf mijn jeugd heb kunnen groeien in de Kerk. Maar dan denk ik daar dieper over na en realiseer ik me dat ik heel blij ben met het leven dat ik heb geleefd. Ik heb een goede jeugd gehad, met hele fijne ouders, heb een prachtige dochter waar ik heel trots op ben, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Ook buiten de Kerk is er zo veel goeds om dankbaar voor te zijn en zo veel goede mensen waar je wat van kunt leren. Maar ik heb ook fouten gemaakt in mijn leven en dingen gedaan waar ik absoluut niet trots op ben. Zou ik die fouten niet hebben gemaakt als ik al in mijn jeugd in aanraking was gekomen met het Boek van Mormon? Ongetwijfeld, maar ik weet zeker dat ik dan weer andere fouten zou hebben gemaakt. Een dierbare vriend die ik het afgelopen jaar in de Kerk heb leren kennen schreef mij: René, ik ken je nog maar kort en mijn wegen zijn anders dan de jouwe geweest, maar Gods geest brandt gelijkelijk in onze harten. Gelukkig zijn wij allen niet gelijk in het leven, maar wel in het Evangelie. Dat vind ik prachtig verwoord.

Er zijn twee vormen van kennis. De eerste vorm is rationeel en houdt in dat je informatie vergaart, bijvoorbeeld door het lezen van de Bijbel of het Boek van Mormon. De tweede vorm is het ontwikkelen van vaardigheden, te vergelijken met het leren piano spelen. Niemand leert piano spelen door er alleen over te lezen of naar YouTube filmpjes te kijken. Je moet het oefenen, en iedereen snapt dat je daarbij fouten maakt. Ook Horowitz zal als peuter (of kleuter, ik weet niet hoe oud hij was toen hij begon met piano spelen) fouten hebben gemaakt, en niemand zal hem daarom hebben veroordeeld. Oefening baart kunst, en zo is het ook met geloof. Als we Jezus Christus willen volgen, moeten we ons vol in het proces storten en accepteren dat we fouten maken. We hebben meer aan wat we zelf ervaren dan aan wat iemand anders ons vertelt, hoe waardevol dat laatste ook kan zijn. En het mooie is dat voor onze fouten al is betaald, door het zoenoffer van Jezus Christus. Het is vanaf het begin het plan van God geweest. Geloof is dus meer een kwestie van hard werken dan “een teken van boven krijgen”. God is bij machte om ons zo veel mogelijk tekens te geven als Hij maar wil, maar als we alleen maar tekens van boven zouden krijgen, zouden we geen vooruitgang kunnen boeken. Onzekerheid is er niet om ons te martelen, maar om ervan te leren. Er is altijd licht aan het einde van de tunnel.

Adam en Eva bevonden zich vóór de zondeval in de eerste fase. Hun leven was simpel en overzichtelijk. Doordat zij van het verboden fruit aten, kwamen zij in de tweede fase terecht. Zij begonnen zich te realiseren dat het leven veel complexer is dan het aanvankelijk in het Hof van Eden leek te zijn. Dat moet een verwarrende fase zijn geweest. Pas toen zij in de derde fase terecht kwamen, realiseerden zij zich dat zij konden toegroeien naar een rijpere vorm van eenvoud, door zich te bekeren en tot God te wenden. Door het zoenoffer van Jezus Christus konden ook zij leren van de complexiteit van het leven zonder erdoor overweldigd te worden. Deze fase hadden zij nooit kunnen bereiken als zij in het Hof van Eden waren gebleven. Ik geloof dat de huidige mensheid het gevolg is van het feit dat Adam en Eva door deze drie fasen zijn gegaan (ik geloof overigens ook in de evolutietheorie, maar hoe die zich verhoudt tot het verhaal van Adam en Eva is misschien een mooi onderwerp voor een andere blogpost).

Als we ons alleen concentreren op het ideale en de realiteit in ons leven blokkeren (kortom: als we blijven hangen in de eerste fase), dan ontbreekt het ons geloof aan diepgang. Dan wordt geloof blind en oppervlakkig. In Alma 32: 37-38 wordt het geloof vergeleken met een boom: Laten wij die met grote zorgvuldigheid verzorgen, zodat hij wortel kan schieten, zodat hij zal groeien en vruchten zal voortbrengen. En nu, zie, indien u hem met grote zorgvuldigheid verzorgt, zal hij wortel schieten en groeien en vruchten voortbrengen. Ik ben ervan overtuigd dat het wortel laten schieten van ons geloof vereist dat we leren hoe we kunnen omgaan met oncomfortabele zaken in ons leven. En soms begint geloof heel klein. Soms is het niet meer dan hoop. Ik moet daaraan denken toen iemand mij onlangs zei: ik hoop dat er een God is, maar ik geloof het niet. Dat is niet erg. Soms is hoop een prima begin.

Wat zijn dan de oncomfortabele zaken in ons leven? Dat kan van alles zijn, en het is voor iedereen wat anders. In de podcast die ik hierboven noemde, komen per aflevering gewone mensen aan het woord, die vertellen hoe zij zijn omgegaan met de oncomfortabele dingen in hun leven. Soms is het een traumatische gebeurtenis in hun jeugd die zij nooit goed hebben verwerkt, of een echtscheiding. Soms worstelen mensen met feiten die zij voorheen nog niet kenden, of met een groot verlies in hun leven. De mensen die aan het woord komen, zijn er uiteindelijk allemaal in geslaagd om hun geloof door de crisis in hun leven heen te loodsen, zodat hun geloof er uiteindelijk sterker uitkwam.

Vooral de opkomst van Internet heeft in de jaren negentig en begin jaren tweeduizend veel mensen in een geloofscrisis gestort. Vroeger werd de geschiedenis van de Kerk geïdealiseerd en gepolijst om een zo gunstig mogelijk beeld te geven. Door Internet werden veel leden van de Kerk opeens geconfronteerd met de verborgen kanten van ons geloof en dat botste vaak met het geïdealiseerde beeld. Denk bijvoorbeeld aan hoe onze Kerk in zijn begindagen omging met polygamie, of de situatie dat het priesterschap lange tijd werd onthouden aan donkere mensen. Veel mensen raakten toen gedesillusioneerd en werden inactief. Gelukkig heeft de leiding van onze Kerk gekozen voor het mijns inziens juiste pad, door openheid te bieden, in combinatie met het nuanceren, kaderen en kanaliseren van de problematische aspecten. Noem mij een kerk of natie die in het verleden geen fouten heeft gemaakt! Ik denk aan kindermisbruik in de Katholieke Kerk, ik denk aan slavernij of discriminatie van donkere mensen. Belangrijker dan die fouten, is hoe daar mee om wordt gegaan. Ik beschouw het als een teken van volwassenheid van onze Kerk dat openlijk over die fouten wordt gesproken en dat men open staat voor een wetenschappelijke benadering van het verleden, bijvoorbeeld bij het project The Joseph Smith Papers, zonder dat feiten onder het vloerkleed worden geveegd. Daarbij worden lastige onderwerpen, zoals racisme en polygamie, niet geschuwd.

Wat ik leer van de mensen die in de podcast aan het woord komen, is dat het belangrijk is om in tijden van twijfel te accepteren dat je zoekende bent en de banden met de Kerk niet door te snijden. Of, zoals iemand het treffend verwoordde: als je twijfelt aan God, geef hem dan het voordeel van de twijfel. Tolkien heeft ooit gezegd: not all those who wonder are lost. Laten we ons met elkaar realiseren dat het okay is om vragen te stellen. Laten we de vragenstellers zelfs aanmoedigen!

Het viel mij op dat veel geïnterviewden in de podcast vrouwen zijn die een echtscheiding hebben meegemaakt. Hier doet zich denk ik een typisch Amerikaans fenomeen voor. Veel mensen (vooral vrouwen) in de Verenigde Staten (vooral in Utah) zijn erg perfectionistisch ingesteld. Zij zijn allemaal op zending geweest, zijn jong getrouwd en waren erg actief in de Kerk. Ze hadden als het ware alle “vinkjes” gezet. Maar toen gebeurden er dingen in hun leven die het ideaalplaatje lieten kantelen. Velen kwamen in een echtscheiding terecht. Ik vond het schokkend om te horen dat velen van hen door sommige andere leden van de Kerk met de nek werden aangekeken! Echtscheiding is blijkbaar nog steeds een gevoelig onderwerp. Vele vrouwen verlieten de Kerk dan ook helemaal. Maar degenen die hun crisis wisten te overwinnen, kwamen er zoals gezegd sterker uit.

Mooi vond ik ook het verhaal van een vrouwelijke gevangene. Zij zei dat ze als klein meisje van haar ouders en van God hield en dat ze wist dat Jezus Christus was gestorven voor haar zonden. Maar achter de tralies zei ze deze woorden met nieuwe ogen en met een nieuw hart. Nu pas begreep ze écht wat dat betekende: dat Jezus was gestorven voor haar zonden. Zij had de “simplicity beyond complexity” in haar leven ontdekt.

Een opbouwend boek en een opbouwende podcast!