Tolstoi en het Boek van Mormon

Ik vind het altijd interessant om uit te pluizen wat je favoriete schrijvers te zeggen hebben over Joseph Smith of over het Boek van Mormon. Wat vinden schrijvers die je bewondert eigenlijk van belangrijke aspecten van het geloof waar je zelf zo vol van bent?

Charles Dickens bijvoorbeeld, heeft een aantal opvallende dingen gezegd over de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (in die tijd nog “mormonen” genoemd). Charles Dickens reisde in 1842 naar de Verenigde Staten en verbleef daar zes maanden. Hij woonde een aantal bijeenkomsten van de mormonen bij en noemde in zijn reisverslag zelfs Joseph Smith. In 1842 leefde Joseph Smith nog, dus het is heel goed mogelijk dat Charles Dickens de oprichter van onze kerk heeft horen spreken. In zijn tijdschrift Household Words schreef Dickens: “Wat de mormonen doen, lijkt excellent te zijn. Wat ze geloven, is voor het grootste gedeelte nonsens.” Aan de ene kant prees hij de mormonen dus om hun gedrag – zo was hij erg onder de indruk van hun inspanningen op het gebied van liefdadigheid, aan de andere kant kon hij de inhoud van wat ze geloofden niet serieus nemen. Het is een bekend fenomeen: omdat de ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon zo ongeloofwaardig is, nemen veel mensen de inhoud ervan bij voorbaat niet serieus. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw kwam Charles Dickes in de boot waarmee hij naar de Verenigde Staten voer een groep mormoonse pioniers tegen. Dickens verwonderde zich erover dat deze mensen zo vrolijk waren, en helemaal niet op leken te kijken tegen de immense reis die voor hen lag. Hij was geïnteresseerd en raakte aan de praat met één van de mormonen. Dickens probeerde het gesprek te sturen in de richting van Joseph Smith, met als doel om de profeet belachelijk te maken. Dat lukte hem echter niet en na afloop van de ontmoeting schreef Dickens, nadat hij zich had verbaasd over het onberispelijke gedrag van de mormonen aan boord, het volgende: “ik ging aan boord van hun schip met de bedoeling om tegen hen te getuigen, wat ze – daar was ik van overtuigd – zouden verdienen, maar tot mijn grote verbazing verdienden ze dat niet”. Hij kwam, ondanks zijn eigen vooroordelen, tot de conclusie dat de mormonen onder een “opvallende invloed” stonden, die een opvallend resultaat opleverde, een resultaat dat door andere, “beter bekend staande invloeden”, niet bereikt zou kunnen worden (vergeef me mijn wat kreupele vertaling; ik kan het in het Nederlands helaas niet zo mooi opschrijven als Dickens het in het Engels deed).

Ook de grote Amerikaanse schrijver Mark Twain, bekend van onvergankelijke romans als De Lotgevallen van Tom Sawyer en De Lotgevallen van Huckleberry Finn, had een mening over de mormonen, en die mening was bepaald niet positief. Hij schreef: “Iedereen heeft gehoord over de mormoonse bijbel (hij bedoelt het Boek van Mormon), maar slechts een enkeling – behalve de “uitverkorenen” hebben het gezien, of op zijn minst de moeite genomen om het te lezen. Ik nam een kopie mee van Salt Lake. Het boek is een curiositeit voor mij, het is zo pretentieus, en toch zo langdradig, zo slaapverwekkend; zo’n smakeloos geïnspireerde rommel. Het is gedrukte chloroform. Als Joseph Smith het boek geschreven heeft, was die daad een wonder – in ieder geval om wakker te blijven terwijl hij dat deed.” Mark Twain maakte ook de grap dat als de uitdrukking “en het geschiedde” geschrapt zou worden uit het Boek van Mormon, er een pamflet over zou blijven in plaats van een boek.

Mark Twain was een groot schrijver, maar wat betreft het Boek van Mormon sloeg hij de plank finaal mis. Ik neem het hem niet kwalijk, en dat geldt ook voor Charles Dickens. Hoe zou ik zelf gereageerd hebben als in de negentiende eeuw had geleefd en voor het eerst in aanraking zou zijn gekomen met het Boek van Mormon? Waarschijnlijk had ik het boek ook belachelijk gemaakt. Het is de makkelijkste weg. Zoals ik hierboven al schreef: de ongeloofwaardige ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon vormt voor de meeste mensen een onoverkomelijk struikelblok.

Maar ook dichter bij huis en in onze tijd hebben schrijvers zich negatief of laatdunkend uitgelaten over het Boek van Mormon of over Joseph Smith. Ik las altijd graag de boeken van de Vlaamse filosoof Maarten Boudry, maar mijn bewondering voor hem kreeg wel een flinke knauw toe hij in zijn boek Illusies voor Gevorderden over Joseph Smith schreef: “In het openbaringsverhaal van het mormonisme (vijftien miljoen volgelingen wereldwijd) verbergt de engel Moroni gouden platen onder de grond en toont hij ze later aan de profeet Joseph Smith die ze in een hoed stopt samen met een magische steen. Wanneer hij zijn hoofd vervolgens in de hoed steekt, kan hij de geheime boodschappen op de gouden platen ontcijferen. Zoals in de uitspraak die aan de christelijke auteur Tertullianus (ca. 160-230) wordt toegeschreven: ‘Credo quia absurdum’, ik geloof omdat het absurd is. Hoe gekker de illusies, hoe liever dus.”

Een van mijn lievelingsschrijvers is Leo Tolstoi (ik geloof dat ik tegenwoordig eigenlijk Lev Tolstoj moet schrijven). Anna Karenina is één van mijn favoriete boeken aller tijden en heb ik meerdere malen gelezen. Ik bewonder niet alleen de boeken van Tolstoi, maar ook de schrijver en zijn moeizame worsteling met het Christelijke geloof. Aan het einde van zijn leven, na het schrijven van Anna Karenina, raakte Tolstoi in een geloofscrisis en keerde hij terug naar het Christelijke geloof van zijn jeugd. Hij had echter niet veel op met het instituut “kerk”. De Russisch-orthodoxe kerk excommuniceerde hem op 72-jarige leeftijd, nadat Tolstoi deze kerk jaren achter elkaar hypocrisie had verweten. Hij nam het op voor de verschoppelingen van de maatschappij en deed niets liever dan lesgeven aan arme kinderen of werken tussen de gewone arbeiders in het veld, wat een unicum was voor iemand van adel (Tolstoi was een graaf). Hij liet een lange baard staan en kleedde zich het liefst in eenvoudige boerenkleding. Tot aan zijn dood correspondeerde hij met Mahatma Gandhi, met wie hij het principe van geweldloos verzet deelde.

Als een groot bewonderaar van Leo Tolstoi was ik dan ook aangenaam verrast toen ik ontdekte dat deze schrijver een paar interessante connecties heeft met de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. De eerste connectie dateert van 1857, toen Tolstoi als 28-jarige graaf een reis naar West-Europa maakte, waar hij verschillende landen bezocht. In een trein in Zwitserland ontmoette hij een 30-jarige man uit de Verenigde Staten die hem voor het eerst vertelde over het mormonisme. We weten niet hoe deze man heette, wat zijn beroep was of wat hij in Zwitserland kwam doen. Was hij één van de eerste zendelingen uit Utah? Zou de man zich hebben gerealiseerd dat hij met één van de grootste schrijvers aller tijden aan het praten was? We weten het niet. Opvallend is dat Tolstoi na de ontmoeting het volgende in zijn aantekeningenboekje noteerde, met behoorlijk wat spelfouten:

“Amerikaan van dertig jaar oud die in Rusland is geweest. Marmons in Utha, Joss Smith hun oprichter, gedood door Glinchlaw. Heeft gejaagd op buffels en rendieren”.

Een aantal weken later ontmoette Tolstoi in Genève een zendeling, waarvan hij opnieuw gewag maakte in zijn aantekeningenboekje. Ook hier niet meer dan een korte, zakelijke mededeling, waardoor we niet te weten komen hoe Tolstoi nou eigenlijk dacht over de religie waarmee hij onverwachts in aanraking was gekomen. De eerstvolgende keer dat Tolstoi zich daar wél over uitliet, was maar liefst dertig jaar later, in een interview met de Amerikaanse journalist George F. Kennan. Tolstoi vertelde in het interview dat het hem stoorde dat de inwoners van Amerika hun eigen tradities geen eer bewezen door de mormonen zo te vervolgen (het was de tijd waarin de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen aan hevige kritiek onderhevig was door hun standpunten en praktijken rondom polygamie).

Dit interview werd na publicatie in Amerika gelezen door Susa Young Gates, één van de dochters van Brigham Young, een bekende leider van onze kerk in de negentiende eeuw en de opvolger van Joseph Smith. Ze besloot Tolstoi een uiterst vriendelijke brief te schrijven, waarin ze aanbood de “mormoonse” kant van de polygamie-discussie uit de doeken te willen doen, omdat er naar haar mening te veel over de mormonen werd geschreven, en te weinig van binnenuit door de mormonen. Ook bood ze aan een Boek van Mormon op te sturen, door anti-mormonen ook wel de “gouden bijbel” genoemd.

Voor zover we weten heeft Tolstoi zijn dochter de opdracht gegeven om Gates een brief terug te sturen, waarvan de inhoud ons onbekend is. In reactie daarop stuurde Susa Young Gates twee boeken naar Tolstoi: een boek van Mormon en een biografie over Joseph Smith. In de begeleidende brief benadrukte ze nog eens hoe groot haar bewondering voor de schrijver was en de verheven principes die hij erop nahield. Ze complimenteerde hem uitgebreid met een kort verhaal over het beleg van Sebastopol, dat Tolstoi tijdens en kort na de Krimoorlog van 1855-1856 schreef.

Tolstoi was onder de indruk van de tweede brief van Susa Young gates, want in zijn dagboek schreef hij op 1 januari 1889:

Ik stond op om hout te kappen, het was warm en ik ging ontbijten. Mijn gedachten waren opgehelderd. Een prachtige brief van een vrouw uit Amerika”.

In de weken daarna nam hij de tijd om het Boek van Mormon en de biografie van Joseph Smith te lezen. Volledig of gedeeltelijk, daar kunnen we slechts naar gissen. In zijn dagboek schreef hij vervolgens dat hij geschokt was door beide boeken, en dat het hem sterkte in zijn overtuiging dat religie het product was van teleurstelling, niet meer dan leugens voor een goed doel. Blijkbaar kon ook Tolstoi zich, net als Charles Dickens, niet over de onwaarschijnlijke ontstaansgeschiedenis van het Boek van Mormon heen zetten, hoewel Tolstoi in een interview later in zijn leven heeft gezegd dat hij “religie die beweert zijn heilige boeken uit de aarde te hebben opgegraven prefereert boven een religie die beweert ze uit de hemel te hebben ontvangen”. Ook liet Tolstoi zich aan het einde van zijn leven positief uit over mormoonse vrouwen en de regels van kuisheid die mormonen (zowel mannen als vrouwen) erop nahouden.

In 1894 schijnt een Amerikaanse staatsman, Andrew D. White, een interview te hebben gehad met Tolstoi. In dat interview kwamen ook religieuze onderwerpen ter sprake. Ik moet er gelijk bij zeggen dat het verslag van dat interview pas in 1939 (dus meer dan veertig jaar later!) werd opgetekend door een kennis van Andrew D. White, die hem in 1900 over dat interview schijnt te hebben gesproken. Het “horen zeggen” gehalte is dus wel erg groot. Maar hoe het ook zij, in dat interview schijnt Tolstoi volgens de kennis van White het volgende gezegd te hebben over de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen:

“De mormonen onderwijzen de mensen niet alleen over de Hemel en de daarmee gepaard gaande heerlijkheden, maar ook onderwijzen zij zodanig te leven dat de sociale en economische betrekkingen tussen mensen zijn gefundeerd op een gezonde basis. Als de mensen de leringen van deze Kerk volgen, kan niets hun vooruitgang stoppen – het zal oneindig zijn. Er zijn in het verleden veel bewegingen gestart maar zij zijn uitgestorven of aangepast voordat zij de volwassenheid hebben bereikt. Als het mormonisme in staat is om vol te houden, zonder aanpassingen, totdat het zijn derde en vierde generatie bereikt, is het voorbestemd om de grootste macht te worden die de wereld ooit heeft gekend”.

Of Tolstoi het laatste nou daadwerkelijk heeft gezegd of niet, voor mij is er een opvallende parallel tussen zijn zienswijze op onze kerk en die van Charles Dickens. Beide schrijvers konden niet anders dan achterdochtig zijn tegenover het instituut “kerk”, met zijn regels, zijn hiërarchie maar vooral ook met zijn Boek van Mormon, waarvan de onwaarschijnlijke ontstaansgeschiedenis het menselijke geloof tot het uiterste op de proef stelt. Tolstoi en Dickens waren kinderen van de verlichting en moesten niets hebben van welke vorm van bijgeloof dan ook. Vooral Tolstoi wilde wel Christelijk zijn, maar dan zonder de dogma’s en de wonderen, getuige een passage uit het dagboek dat hij als twintiger bijhield. Bovendien was hij pertinent antiautoritair. Geloven in het Boek van Mormon en het volgen van een kerk die volgens duidelijke grondbeginselen strak is georganiseerd was voor hem overduidelijk een brug te ver. Maar zowel Tolstoi als Dickens, deze grote kenners van de menselijke natuur, mochten dan rationeel-kritisch staan tegenover het “mormonisme”, zij droegen de “mormonen” en alles waar zij voor stonden wel degelijk een warm hart toe. Voor mij is dat goed genoeg.

Gepubliceerd door René van de Meerakker

Actuaris. Schrijver. Lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Plaats een reactie