Je geloof bij elkaar shoppen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Het is deze dagen een drukte van belang in de religieuze supermarkt. Dat is begrijpelijk, want er is van alles te krijgen: naast de standaard wereldreligies als het christendom, de islam, het boeddhisme en het hindoeïsme staan er ook yoga, mindfulness en helende klankschalen in de schappen. Vooral seculiere westerlingen zijn eraan gewend geraakt dat ze hun eigen spiritualiteit bij elkaar kunnen shoppen. Dat shoppen komt erop neer dat je eerst bij jezelf nagaat wat je wil geloven, om vervolgens in de rekken te grasduinen of er iets van je gading bij zit, iets wat je ook kan geloven. Het is een hyperindividualistische benadering, waarin het geloof een optelsom is geworden van de persoonlijke behoeften, visies en overtuigingen. Daar is niets mis mee: in deze tijd blijken mensen meer dan ooit behoefte te hebben aan zingeving en als op deze manier invulling wordt gegeven aan die behoefte, valt dat alleen maar toe te juichen.

Ook in mijn pubertijd, en dan heb ik het over de jaren zeventig en tachtig, bestond die zoektocht naar zingeving en spiritualiteit al. Zo vormde een bezoek aan de tempel van de Hare Krishna’s in Amsterdam een standaard onderdeel van het introductieprogramma van de Universiteit van Amsterdam in 1986, het jaar waarin ik ging studeren. Zingende Hare Krishna’s, die met hun kaalgeschoren hoofden en in oranje priestergewaden door de binnenstad trokken, waren geen ongebruikelijk aanzicht in het Amsterdam van die tijd. Net als de sannyasins, de in het rood geklede volgelingen van Bhagwan die met hun kralenkettingen dansend door de stad trokken. Er was zelfs een Bhagwandisco, genaamd Zorba the Buddha, waar iedereen welkom was en waar een onbekend middeltje werd verkocht waar je heel blij van werd. Later werd dat middeltje bekend als de partydrug xtc. Ik vond het allemaal machtig interessant, maar voelde geen enkele behoefte om me aan te sluiten bij deze bewegingen en xtc heb ik ook nooit gebruikt. Waar ik wél geïnteresseerd in was, waren de denkbeelden van de uit India afkomstige Jiddu Krishnamurti. Die denkbeelden waren losjes gebaseerd op het taoïsme en het zenboeddhisme en kwamen erop neer dat een mens pas volledig spiritueel vrij is als de eigen geest en de reacties daarvan aandachtig en zonder oordeel geobserveerd kunnen worden. Ook kwam ik via de Amerikaanse schrijver Christopher Isherwood op wiens boeken ik verzot was (Mr. Norris Changes Trains is nog steeds één van mijn lievelingsboeken) in aanraking met de Hindoeïstische filosofie.

Door mijn geflirt met verschillende spirituele denkbeelden en filosofieën in mijn jonge jaren heb ik veel geleerd. In bijna alle godsdiensten of spirituele stromingen schuilt wel iets goeds. Ik moet denken aan het elfde Geloofsartikel van onze kerk, opgesteld door onze oprichter Joseph Smith: “Wij eisen het goed recht de almachtige God te aanbidden volgens de stem van ons eigen geweten, en kennen alle mensen hetzelfde goed recht toe: laat hen aanbidden hoe, waar of wat zij willen”. Ik heb lange tijd gedacht dat wij tijdens ons aardse leven nooit het ultieme doel van ons leven zullen ontdekken, maar dat er in elke religie wel een snippertje waarheid schuilt. Als we tijdens ons leven maar genoeg van die snippertjes verzamelen, hebben we met een beetje geluk vlak voor onze dood genoeg inzichten vergaard om de dood op zijn minst met een beetje vertrouwen tegemoet te treden.

Inmiddels denk ik daar heel anders over. Of laat ik het anders stellen: als ik mijn geloof zelf bij elkaar had moeten shoppen, was ik nooit uitgekomen bij het geloof dat ik sinds tweeëneenhalf jaar volledig heb omarmd. Bij mij is mijn bekeringsproces dan ook heel anders gegaan. In plaats van op zoek te gaan naar iets wat ik zou willen geloven, ben ik uitgekomen bij een geloof dat ik uiteindelijk wel moest geloven, of ik nou wilde of niet. Daar kwam geen enkele druk of dwang bij kijken, maar het was puur het gevolg van persoonlijk gebed.

Voor mij was de sleutel tot geloof het Boek van Mormon. Aan het eind van het Boek van Mormon, in het Boek Moroni, kun je in hoofdstuk 10, vers 4 het volgende lezen:

“En wanneer u deze dingen ontvangt (Moroni heeft het hier over het lezen van het Boek van Mormon), spoor ik u aan God, de eeuwige Vader, in de naam van Christus te vragen of deze dingen niet waar zijn; en indien u vraagt met een oprecht hart, met een eerlijke bedoeling en met geloof in Christus, zal Hij de waarheid ervan aan u openbaren door de macht van de Heilige Geest”.

Let wel, deze belofte lees je in het Boek van Mormon pas helemaal aan het einde, als je er al bijna 700 bladzijden op hebt zitten. Moroni zegt hier eigenlijk: bid tot God en vraag hem of het Boek van Mormon waar is. Als je dat met eerlijke bedoelingen doet, zul je ook een eerlijk antwoord krijgen. Dat antwoord heb ik gekregen, en sinds dat moment weet ik dat alles wat in het Boek van Mormon staat, waar is.

Die overtuiging bracht met zich mee dat ik alle aspecten van onze kerk heb omarmd, ook als dat aspecten waren die ik aan het begin lastig in de praktijk te brengen vond, of moeilijk te begrijpen. Onder het eerste schaarde ik de aanbeveling om geen wijn en koffie meer te drinken, twee dranken die ik graag tot mij nam. Onder het tweede schaarde ik het feit dat God een persoon van vlees en beenderen is, die bestaat naast Jezus Christus als apart fysiek persoon. Opgegroeid in de Katholieke traditie had ik God altijd beschouwd als “iets”: een ontastbare, transcendente entiteit en mystiek wezen, niet een persoon met een lichaam. Deze twee moeilijke aspecten had ik nooit van mijn leven bij elkaar kunnen shoppen, omdat ze indruisten tegen mijn intuïtie.

Toen ik eenmaal tot de conclusie was gekomen dat het Boek van Mormon waar is, heb ik daarmee een sprong in het diepe genomen. Ik realiseerde me dat er nog veel aspecten binnen ons geloof waren die ik niet goed kon duiden, maar die met de tijd wel duidelijker zouden worden. En zo is het de afgelopen tweeënhalf jaar ook gegaan. Nog steeds zijn er veel puzzelstukjes die ik niet kan leggen, maar het worden er steeds minder en het heeft mijn geloof in de eindpuzzel nooit doen wankelen. Als je puzzelt is het beter om de stukjes die je nog niet kunt plaatsen voorlopig aan de kant te leggen, in plaats van de hele puzzel gefrustreerd terug in de doos te doen. Het is spannend om in het diepe te springen, maar die overgave heeft ook iets bevrijdends. Soms is het heerlijk om te beseffen dat je iets aan het ontdekken bent dat groter is dan jezelf.

Het mooie van die overgave is dat God je er altijd voor zal belonen. Sinds ik het Boek van Mormon voor de eerste keer heb uitgelezen, is mijn geloof alleen maar gegroeid. Dingen die ik eerst niet begreep, begin ik nu te begrijpen. Dat heet persoonlijke openbaring, en God zal je er rijkelijk mee belonen als je eenmaal de eerste stap tot geloof hebt durven zetten. Geloof is actie, gebaseerd op vertrouwen, en als er iets is waar God van houdt dan is het van actie. Maar de eerste stap zal altijd uit jezelf moeten komen, want daarvoor respecteert God onze individuele keuzevrijheid te veel.

Persoonlijke openbaring is iets heel anders dan het bij elkaar shoppen van je eigen geloofsovertuigingen. Het volgt op overgave, op de beslissing om je eigen vooringenomenheden overboord te zetten, gebaseerd op het vertrouwen dat God beter weet wat goed voor je is dan dat je dat zelf weet.

Gepubliceerd door René van de Meerakker

Actuaris. Schrijver. Lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Plaats een reactie