Augustinus en de kinderdoop: overleden kindertjes in de hel!?

Eerder heb ik in dit blog melding gemaakt van de kerkvader Augustinus. Ik ben meer over hem te weten gekomen tijdens de vakken filosofie van mijn hobby-studie aan de Open Universiteit. Ik zeg dit niet om interessant te doen (nou ja, dat hoop ik tenminste), maar omdat ik Augustinus zo’n boeiend figuur vind. Ik zie ook interessante raakvlakken met en vooral grote verschillen tussen de leerstellingen van Augustinus en die van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Augustinus leefde in een turbulente tijd, slechts een paar honderd jaar na Jezus Christus. Hij woonde in het Romeinse rijk, dat langzaam uit elkaar aan het vallen was. Aan de ene kant werd het Romeinse rijk van binnen uitgehold door corruptie en meningsverschillen, aan de andere kant lag het immense rijk onder vuur door hevige aanvallen van barbaarse legers uit het noorden. Lees Asterix & Obelix er maar op na. We weten allemaal dat het Romeinse rijk die interne en externe strijd niet heeft overleefd. Tegelijkertijd was het Christelijke geloof sterk in opkomst. Augustinus stond als het ware met één been in het Romeinse rijk (zijn vader was een Romeinse raadsheer genaamd Patricius) en met één been in het prille begin van de door en door Christelijke middeleeuwen (zijn moeder Mona was een vrome Christelijke vrouw). Augustinus bestudeerde de oude Grieken en Romeinen, maar bekeerde zich uiteindelijk tot het Christendom ten gevolge van een persoonlijke crisis. Hij worstelde zijn hele leven lang met een aantal vroeg-Christelijke vraagstukken (onder andere over de Drie-Eenheid, de erfzonde en de kinderdoop) en probeerde tijdens zijn leven een aantal theologische en filosofische conflicten met elkaar te verzoenen. Zijn denkbeelden zouden uiteindelijk de grondslag vormen van de Christelijke leer zoals die in de Middeleeuwen tot stand kwam en tot de dag van vandaag onze Westerse samenleving heeft doordesemd.

Over die kinderdoop wil ik het vandaag hebben. Augustinus staat bekend om zijn leer van de erfzonde, die kort gezegd inhoudt dat de mens door en door zondig wordt geboren en die zonde niet uit zichzelf van zich kan afschudden. Alleen Goddelijke genade kan ervoor zorgen dat de mens gered wordt. Over het onderwerp van de erfzonde verwijs ik naar mijn blogpost “Lang leve de appel!”. Augustinus zijn gedachten over de erfzonde hadden een heel vervelend bijproduct, namelijk het besef dat kleine kinderen al vanaf de geboorte belast zijn met diezelfde erfzonde. De mens is door en door slecht en Augustinus ziet bijvoorbeeld in het opstandig huilen van een baby al de symptomen van die slechtheid. Baby’s moeten dus gedoopt worden, alleen dan maken zij een kans om gered te worden. Maar, en nu komt het, dat besef brengt met zich mee dat kleine kinderen die sterven voordat zij worden gedoopt de eeuwige verdoemenis wacht. Volgens Augustinus was die verdoemenis weliswaar de minst zware vorm van verdoemenis (in vergelijking met de verdoemenis die volwassenen te wachten stond), maar toch. Eeuwenlang hebben Christenen geloofd dat jonggestorven kindertjes voor eeuwig zouden branden in de hel. Hun lichaampjes mochten dan ook niet in gewijde grond worden begraven. Ik heb dat beeld van kindertjes in de hel altijd een van de meest afschuwelijke aspecten gevonden van het Rooms-Katholieke geloof waarmee ik ben opgegroeid (hoewel in mijn tijd de scherpste kantjes er gelukkig wel van waren afgevijld).

In ongeveer dezelfde tijd als Augustinus leefde was er aan de andere kant van de wereld een man, genaamd Moroni, die de woorden van zijn vader, Mormon, optekende. Mormon ontving deze woorden, waar geen woord Spaans bij zat, als openbaring van God. Na de barbaarse leerstellingen van Augustinus klinken ze mij als muziek in de oren.

In Moroni hoofdstuk 8, verzen 8 en 9 staat geschreven: Luister naar de woorden van Christus, uw Verlosser, uw Heer en uw God. Zie, Ik ben in de wereld gekomen niet om rechtvaardigen, maar om zondaars bekering toe te roepen; de gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn; welnu, kleine kinderen zijn gezond, want zij zijn niet in staat om zonde te bedrijven; daarom is de vervloeking van Adam van hen weggenomen in Mij, zodat die geen macht over hen heeft; en in Mij is de wet van de besnijdenis weggedaan. En op deze wijze openbaarde de Heilige Geest mij het woord van God; daarom weet ik, mijn geliefde zoon, dat het ernstige spotternij is voor het aangezicht van God om kleine kinderen te dopen.

En in Moroni hoofdstuk 8, vers 12 staat: Maar kleine kinderen zijn levend in Christus, ja, vanaf de grondlegging van de wereld; zo niet, dan is God een partijdig God, en ook een veranderlijk God en een aannemer des persoons; want hoeveel kleine kinderen zijn er niet zonder de doop gestorven!

Tot slot in Moroni hoofdstuk 8, vers 15: Want vreselijk is de goddeloosheid om te denken dat God het ene kind behoudt wegens de doop, en dat het andere verloren moet gaan omdat het niet is gedoopt.

Deze uitspraken laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Als leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen geloven wij dat elk mens dat wordt geboren van nature goed is, en dicht bij God staat. Naarmate wij mensen ouder worden groeit niet alleen onze keuzevrijheid, maar ook de verleiding en de beproevingen die op ons pad komen. Voor elk mens is het mogelijk om terug te keren tot God, niet uit genade, maar door zelf te groeien en door het zoenoffer van Jezus Christus, die onze zonden uitwist als wij ons bekeren. Kindertjes staan dicht bij God, zijn niet in staat om te zondigen (of beter gezegd: het wordt hen door de verzoening van Jezus Christus niet aangerekend) en hoeven dus ook niet te worden gedoopt.

Hoe staat het dan met volwassenen die sterven voordat zij worden gedoopt? Ook daar valt heel veel over te zeggen, en raakt aan onze leer van de doop voor de doden. En nee, dat houdt niet in dat wij onze doden opgraven om hen te dopen, zoals sommige mensen denken. Het onderwerp dood voor de doden bewaar ik voor een andere blogpost.

Mijn dromen over Goed en Kwaad

Vandaag wil u vertellen over twee dromen die ik onlangs had en waarvan ik erg onder de indruk was. Normaal gesproken ben ik een nuchter mens en sta ik erg sceptisch tegenover de voorspellende of zelfs maar verklarende waarde van dromen, maar deze dromen hebben mij echt iets geleerd dat ik graag met u wil delen. De les die ik heb geleerd gaat over Goed en Kwaad.

Mijn eerste droom ging over het Kwaad. Aangezien wij meestal dromen in beelden, impressies en sferen is het erg lastig om de inhoud van een droom onder woorden te brengen, en dat geldt in het bijzonder voor deze droom. Toch ga ik een poging wagen. Ik bevond mij in een naargeestige ruimte, waarvan ik sterk het gevoel had dat ik er eerder was geweest. De ruimte was een beetje te vergelijken met het Overlook Hotel uit The Shining, voor de mensen die deze film hebben gezien. In die ruimte bevonden zich meerdere mensen die elkaar hele nare dingen aan het aandoen waren. Ik stond er als toeschouwer bij, en het bijzondere was dat ik niet alleen kon zien wat deze mensen elkaar aandeden, maar dat ik tevens wist wat zich in hun hoofden en in hun harten afspeelde. Ik kon denken wat zij dachten en ik voelde wat zij voelden. Ik was er getuige van hoe Satan deze mensen in zijn macht had. Dat was zo beangstigend dat ik me in mijn droom verwonderd afvroeg waarom ik zo rustig bleef. Ik was zelfs verbaasd dat ik een normale droom had, en geen nachtmerrie. Ik bleef zo rustig, omdat ik de kalme zekerheid had dat het Kwaad uit mijn droom geen vat op mij kreeg. Ik was daar slechts als observator. Na een tijdje – het is moeilijk te zeggen hoe lang mijn droom duurde, want ik was elk gevoel van tijd kwijt – werd ik wakker. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit eerder zó onder de indruk ben geweest van een droom. Een sterk gevoel van dankbaarheid overheerste, omdat ik wist dat deze droom ertoe zou bijdragen dat ik het Kwaad voortaan eerder zou herkennen. De droom had mij een inzicht gekregen dat ik daarvoor nog niet had. Het klinkt misschien wat overdreven, maar deze droom gaf me echt het gevoel dat ik Satan recht in de ogen heb gekeken. Ik bad tot God om hem te bedanken en viel opnieuw in slaap.

De volgende avond bad ik opnieuw tot God en dat ging ongeveer als volgt: mijn lieve Hemelse Vader, ik ben u intens dankbaar voor het inzicht in het Kwaad dat u me hebt gegeven, maar zou u me alstublieft in een volgende droom ook inzicht willen geven in het Goede? Lieve God, ik heb Satan in de ogen gekeken, maar zou het misschien mogelijk zijn dat ik ook U in de ogen kijk?

Die nacht droomde ik opnieuw, maar in tegenstelling tot mijn eerste droom was mijn tweede droom er een van een ontnuchterende alledaagsheid. Ik droomde namelijk dat ik andere mensen hielp. Ik werd wakker en voelde me in eerste instantie een beetje teleurgesteld. God had mijn gebeden duidelijk niet verhoord. Zo vol als ik was van mijn eerste droom, zo ontgoocheld was ik door mijn tweede. Ik weet niet wat ik precies verwacht had, maar misschien had ik wel gehoopt op een intens gevoel van gelukzaligheid, zoals je ook wel leest als mensen een bijna-doodervaring beschrijven.

Ik had natuurlijk beter moeten weten. Wat we in de Bijbel namelijk tegenkomen is een heilig ontzag, zelfs een huiver, voor het zien van God. We lezen zelfs in het Oude Testament dat het zien van God voor een mens onontkoombaar zijn dood betekent. In het Nieuwe Testament wordt vooral de onzichtbaarheid van God benadrukt, in die zin dat God zo volmaakt is dat geen enkel mens Hem ooit met zijn ogen (of met welk zintuig dan ook) zal kunnen vangen. Alleen Christus was daartoe in staat. In het Boek Ether uit het Boek van Mormon lezen we dat de broer van Jared slechts de vinger van God kon zien, en dan alleen omdat zijn geloof groot genoeg was.

Toen ik langer over mijn tweede droom ging nadenken, realiseerde ik mij wat God mij probeerde duidelijk te maken en verdween mijn teleurstelling. De les was deze: alleen door goede dingen te doen en andere mensen te helpen kun je dichter bij God komen. Er is geen enkele andere manier. God biedt geen shortcuts aan, of sluipweggetjes om eerder tot Hem te komen. Er is slechts één weg, en dat is de weg van de naastenliefde. Natuurlijk wist ik dat al, maar mijn droom heeft me dat nog eens onomwonden duidelijk gemaakt.

Ik ben heel dankbaar voor het inzicht dat deze twee dromen mij hebben opgeleverd.

Een levende profeet

Veel Christenen geloven in dode profeten. Sterker nog: op de een of andere manier lijken dode profeten meer tot de verbeelding te spreken, en ook meer geloofwaardigheid te bezitten dan levende profeten. Profeten zijn mensen die boodschappen van God doorgeven aan andere mensen. Bekende voorbeelden van Christelijke profeten uit het verleden zijn Mozes, Jeremia en Jesaja. Deze profeten getuigden van Jezus Christus (lang voordat Hij geboren werd), maakten de wil van God bekend, reikten mensen richtlijnen aan over hoe zij hun leven moesten leiden en waarschuwden hen voor de gevolgen als zij zich niet aan die richtlijnen hielden.

Freddie Mercury zong het al in het prachtige nummer The Prophet’s Song van Queen:

Oh-oh, people of the earth

“Listen to the warning,” the prophet he said

For soon the cold of night will fall

Summoned by your own hand

Oh-oh, children of the land

Quicken to the new life, take my hand

Ooh, fly and find the new green bough

Return like the white dove

Aan de ene kant profeteren profeten dus van onheil: hel en verdoemenis die de mensen te wachten staat als zij geen acht slaan op zijn woorden (for soon the cold of night will fall). Aan de andere kant spiegelen profeten hun een rooskleurig toekomstbeeld voor als zij wél luisteren naar zijn woorden (return like the white dove). Beide aspecten komen overigens voort uit een oprecht verlangen om te helpen, omdat profeten het beste met de mensen voor hebben. Profeten realiseren zich als geen ander dat mensen op aarde zijn om een sterfelijke ervaring door te maken, zodat zij kunnen groeien. Profeten fungeren als de mond van God, zodat God via hen tot de mensen kan spreken om hen te helpen bij deze groei. De boodschap is altijd heel specifiek: bedoeld voor bepaalde mensen, in een bepaalde tijd. Profeten roepen zich niet zelf uit tot profeet (als dat wel gebeurt, spreken we van valse profeten), maar worden door God uitgekozen. Veel profeten voelen zich overweldigd en in eerste instantie onbekwaam om deze bijzondere taak uit te voeren. Profeten komen uit alle lagen van de bevolking; vaak zijn het hele gewone mensen zonder bijzondere gaven. Mozes stotterde zelfs en was geen begenadigd spreker, en toch koos God hem uit als profeet. Profeten hebben het niet gemakkelijk en worden meestal belachelijk gemaakt door andere mensen – of erger. Zo werd Jeremia opgesloten in een kooi en uiteindelijk gestenigd. Jesaja werd doormidden gezaagd.

Merk op dat ik hierboven grotendeels in de tegenwoordige tijd over deze profeten spreek. Dat is misschien niet wat de meeste mensen verwachten. Zoals ik al zei, hechten mensen doorgaans meer waarde aan de woorden van dode profeten en zijn zij uiterst sceptisch over levende profeten. Is dat niet vreemd? Als God het vroeger belangrijk vond om via profeten tot de mensheid te spreken, waarom zou Hij daar dan nadat Jezus was gestorven opeens mee opgehouden zijn? Ik gaf hierboven aan dat Zijn boodschap altijd heel specifiek bedoeld is voor een bepaalde tijd en bepaalde omstandigheden. We leven nu in een hele andere tijd dan die van duizenden jaar geleden, maar we hebben met net zo veel moeilijkheden en uitdagingen te maken als toen. Als God het nodig vond om de mensen van toen te helpen, waarom zou Hij dat niet net zo hard nodig vinden voor ons in deze tijd? Of zou Hij van mening zijn dat we genoeg hebben aan teksten van duizenden jaren oud? Ik vind dat moeilijk te geloven. Waarom zouden hedendaagse openbaringen zo onvoorstelbaar zijn als we wél geloven in openbaringen uit het verleden?

Als leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen geloven wij dan ook dat wij worden geleid door een levende profeet. Deze profeet, president Russell M. Nelson, geeft ons samen met zijn twee raadgevers en twaalf apostelen advies over hoe wij in deze tijd ons leven het beste kunnen leiden. President Nelson is 97 (!) jaar oud, was tientallen jaren een befaamd hartchirurg, hielp mee aan de ontwikkeling van de eerste kunstmatige hart-long machine, spreekt vloeiend Mandarijns, is een begenadigd skiër en reist ondanks zijn hoge leeftijd nog volop over de hele wereld. Zo zien we hem hierboven op de foto naast de paus, met wie hij vriendschappelijke betrekkingen onderhoudt.

Wij geloven ook dat Goddelijke openbaringen die de gehele geloofsgemeenschap aangaan slechts kunnen komen via de President van de Kerk, in ons geval dus Russell M. Nelson. Dat is al zo vanaf het moment van oprichting. Onze eerste profeet, Joseph Smith, kreeg dit van God te horen (Leer en Verbonden, afdeling 28) nadat andere leden van de Kerk beweerden dat zij net als Joseph Smith openbaringen hadden ontvangen aangaande de opbouw van de geloofsgemeenschap. God liet Joseph Smith weten dat zij waren misleid door Satan. Ik ben blij met deze openbaring, want het zou al snel een zooitje worden als alle individuele leden van de Kerk zich met de gehele geloofsgemeenschap zouden gaan bemoeien. In afdeling 28 van Leer en Verbonden staat nog iets heel belangrijks, namelijk dat apostelen openbaringen kunnen ontvangen “niet bij wijze van gebod, maar bij wijze van wijsheid” (L&V 28: 5) en dat zij niet de Kerk kunnen binden. Dat laatste is dus voorbehouden aan de President van de Kerk. Een strakke, maar eerlijke organisatie zoals die ook in de vroegchristelijke tijd bestond. Geen enkel lid van de kerkleiding wordt overigens betaald voor zijn functie.

Het voordeel van een levende profeet is dat hij eigentijdse adviezen geeft, waar je van kunt leren en waar je je door kunt laten inspireren. Zo houden onze kerkleiders twee keer per jaar toespraken tijdens de zogenaamde algemene conferentie. Deze toespraken gaan over een verscheidenheid aan godsdienstige onderwerpen en zijn altijd opbouwend. Na de algemene conferentie worden de toespraken gepubliceerd in de Liahona, het tijdschrift van onze Kerk dat maandelijks wordt gepubliceerd. De Liahona is ook on-line beschikbaar, voor zowel leden als niet-leden van de Kerk. Ik raad iedereen aan om eens een kijkje te nemen in de Liahona. De artikelen zijn zeer toegankelijk geschreven en bedoeld om op te beuren en te inspireren. Het was één van de eerste dingen waarvan ik onder de indruk raakte toen ik nog geen lid was van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Ik eindig daarom graag met een link naar de indrukwekkende toespraak die onze profeet hield over de kracht van geloof tijdens de algemene conferentie van april van dit jaar: https://www.churchofjesuschrist.org/study/general-conference/2021/04/49nelson?lang=eng.

Een levendige boodschap van een levende profeet, bedoeld voor hedendaagse mensen.

Kopje koffie

‘Maar jij mag van je geloof toch geen cafeïne drinken?’ vraagt mijn dochter Selina verbaasd als ze mij in de Rotterdamse Markthal een sateetje ziet eten, vergezeld van een blikje Coca Cola. Coca Cola Zero, dat dan weer wel, maar inderdaad: wel een een blikje cola waar “gewoon” cafeïne in zit.

Hoe zit dat nou precies? Mormonen drinken toch geen cafeïne? Of drinken ze alleen maar geen koffie, en heeft dat niets met cafeïne te maken? Kortom: hoe zit het nou precies met dat woord van wijsheid waarin bepaalde gezondheidsvoorschriften staan? En hoe bevalt dat woord van wijsheid mij als kersverse Mormoon, bijna acht maanden nadat ik heb beloofd me daaraan te houden?

Wat is het woord van wijsheid precies? Het woord van wijsheid is te vinden in sectie 89 van Leer en Verbonden, een set van openbaringen waarvan we geloven dat onze profeet Joseph Smith die rechtstreeks van God ontving. Leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen worden daarin aangespoord om geen alcohol te drinken. Sterke drank, zo staat er geschreven, is niet voor de buik, maar voor het wassen van uw lichaam. Ook het drinken van “hete dranken” wordt afgeraden, wat gelovigen hebben geïnterpreteerd als: geen koffie en geen thee, behalve als het kruidenthee betreft. Leden van de Kerk worden verder aangespoord om geen tabak en drugs te gebruiken, en geen misbruik te maken van medicijnen. Maar het gaat nog verder. In het woord van wijsheid staat ook dat we “spaarzaam” vlees mogen eten, en fruit en groenten “met beleid”. Verder geloven we dat we niet alleen door het eten van gezonde voeding goed voor ons lichaam moeten zorgen, maar ook door aan lichaamsbeweging te doen en voldoende te slapen. Kortom: het woord van wijsheid is meer dan een afvinklijstje. Wij geloven dat ons lichaam een tempel is en het woord van wijsheid een geschenk van God. God houdt van zijn kinderen en wil dat ze gezond en gelukkig zijn.

Sommigen beschouwen het woord van wijsheid tevens als een test op gehoorzaamheid. Zijn wij bereid om bepaalde zaken op te geven als uiting van geloof?

Voordat ik besloot mij te laten lopen, heb ik beloofd het woord van wijsheid in acht te nemen. Viel mij dat zwaar en hoe bevalt dat woord van wijsheid mij nu, bijna acht maanden later?

Laat ik beginnen met het makkelijkste gedeelte. Voordat ik mij liet dopen rookte ik niet en gebruikte ik geen drugs, dus die onderdelen van het woord van wijsheid kostten mij geen moeite. Check. Ik sliep voldoende en deed regelmatig aan lichaamsbeweging. Check, check. Ik at misschien iets meer vlees dan goed voor me was, maar fruit en groenten heb ik altijd “met beleid” tot mij genomen (wat dat ook moge inhouden). Check. Tot zover geen probleem dus.

Maar dan. Laat ik er niet omheen draaien: ik hield van een goed glas rode wijn. Niet elke dag, maar toch zeker wel een paar in de week. Lekker eten? Wijntje erbij. Kaas en worst voor de televisie? U raadt het al. Ik had zelfs een eigen wijnklimaatkast. Ik vond wijn niet alleen lekker, ik was er ook nog eens van overtuigd dat het goed voor me was. Daarbij baseerde ik me op het boek “Hoe word je 100?” van de bekende gezondheidsgoeroe William Cortvriendt. In het hoofdstuk over alcohol schrijft hij: ‘Een gematigd gebruik van twee tot drie glazen alcoholhoudende drank per dag voor mannen kan hartaanvallen helpen te voorkomen.’ Kijk, dat vond ik nog eens fijn om te lezen.

Het stoppen met het drinken van alcohol viel me bij tijd en wijle dan ook zwaar. Gelukkig heb ik nooit zó veel gedronken dat ik afkickverschijnselen kreeg, maar ik moet eerlijk toegeven: soms mis ik mijn wijntje, vooral bij lekker eten. Toch heb ik er geen spijt van dat ik met drinken ben gestopt. En de gezondheidsclaim van Cortvriendt dan? Ik vind die vraag lastig te beantwoorden. Ik pretendeer niet het beter te weten dan Cortvriendt, maar ik weet wél dat er in onze maatschappij veel meer gedronken wordt dan goed voor ons is. Er is veel alcoholmisbruik, waardoor de (wellicht) positieve effecten van alcohol zwaar worden overschaduwd door de negatieve. Denk aan de vele doden in het verkeer, denk aan de schade die alcoholisten toebrengen aan zichzelf en hun omgeving, denk aan de duizenden jongeren die ieder jaar met een alcoholvergiftiging in het ziekenhuis belanden als gevolg van het zogenaamde comazuipen. We blikken vaak vol ongeloof terug op de ongelooflijke hoeveelheden tabak die er in de jaren zestig en zeventig werden verstouwd, maar ik geloof dat mensen over een jaar of dertig met evenveel ongeloof terugblikken op de hoeveelheid alcohol die wij nú naar binnen werken. Dus ja, ik geloof dat het woord van wijsheid zijn naam op dit vlak écht eer aandoet. En ik heb ervaren dat een alcoholvrij biertje op zijn tijd (Radler 0%!) best lekker is.

Koffie vind ik een lastiger verhaal. Je kunt moeilijk beweren dat onze maatschappij veel schade ondervindt door het misbruik van koffie. Over koffie zegt Cortvriendt: ‘Het drinken van koffie houdt verband met een afname van het risico op een hartaanval, beroerte, diabetes en infecties en houdt bovendien verband met een lager overlijdensrisico.’ En over thee: ‘Onderzoeken laten zien dat het dagelijks drinken van groene thee kan leiden tot een vermindering van het risico op prostaatkanker en beroertes. Mogelijk dat zwarte thee een klein bloeddrukverlagend effect heeft. Er zijn van het drinken van thee geen schadelijke effecten bekend.’

Een lastig verhaal dus. Ik weet het eigenlijk niet zo goed, met die gezondheidsrisico’s van koffie en thee. Maar wat ik wél weet, is dat ik meer koffie dronk dan goed voor me was. Dat bleek bijvoorbeeld uit het feit dat ik in het weekend, als ik later opstond en ook later koffie dronk dan ik door de week gewend was te doen, lichte hoofdpijn kreeg. Ook trilden mijn handen licht. Pure afkickverschijnselen. Ik was dus wel degelijk verslaafd en ik ben van mening dat elke verslaving, hoe “onschuldig” ook, slecht voor je is. Sinds ik gestopt ben met het drinken van cafeïnehoudende koffie, drink ik koffie zonder cafeïne (decafé). Die vind ik net zo lekker als gewone koffie (ik daag iedereen uit om geblinddoekt te proberen het verschil te ervaren), maar ik mis de “craving” die elke koffiejunkie heeft en dat voelt goed. Overigens zijn er genoeg leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste Dagen die vinden dat het woord van wijsheid ook het drinken van decafé verbiedt, maar ik behoor niet tot die stroming. Ik probeer cafeïne te vermijden, maar als ze bijvoorbeeld geen cola zonder cafeïne hebben (zoals in de Markthal) ben ik ook weer niet zo recht in de leer dat ik helemaal geen cola drink. Sommige mensen zullen mij daarom misschien te losjes vinden. Alcohol en tabak zijn voor mij een no-go, maar cafeïne vind ik een grijs gebied.

Ik heb begrepen dat het officiële standpunt van de Kerk lange tijd was dat cola een “verloochening van de geest” was, maar in 2012 werd gesteld dat het gebruik van cafeïne niet langer verboden was. Onze Kerk heeft eigen verantwoordelijkheid en de menselijke keuzevrijheid hoog in het vaandel staan, dus ik vind in de eerste plaats dat mensen vooral zelf hun eigen afweging moeten maken.

Daarnaast vind ik dat je nooit mag vergeten dat het woord van wijsheid is geschreven in 1833, voor mensen uit Amerika. Ook voor ons natuurlijk, maar in de eerste plaats voor de mensen uit de omgeving van Joseph Smith. Ik ben van mening dat je religieuze teksten niet mag en kunt loskoppelen van de tijd waarin ze zijn geschreven. Uiteraard kun je wel altijd een vertaalslag maken naar andere omstandigheden. Met andere woorden: context is heel belangrijk. En wij weten nu eenmaal niet wat er in de tijd van Joseph Smith allemaal in de koffie en in de thee zat.

Wat thee betreft: de meeste leden van onze Kerk drinken geen groene of zwarte thee omdat hier theïne in zit, waar je verslaafd aan kunt raken. Muntthee, rozebottelthee, kamillethee enz. zijn dan weer wel toegestaan. Ik houd mij daar aan en dat kost mij geen enkele moeite.

Het bovenstaande mag misschien overkomen als een wirwar aan ingewikkelde regels, maar dit valt in de praktijk erg mee. Veel buitenstaanders die naar onze Kerk kijken, kijken naar de randverschijnselen (‘mormonen mogen geen koffie drinken’), maar het gaat wat mij betreft niet om de randverschijnselen, maar om de essentie. En de essentie is dat je wat je gezondheid betreft naast het woord van wijsheid gebruik moet maken van je gezonde verstand. Uit wetenschappelijk onderzoek is trouwens gebleken dat mormonen vele jaren langer leven dan gemiddeld, dus iets zullen we wel goed doen denk ik dan.

Voordat ik de laatste alinea’s van dit stukje tik, schenk ik nog een kopje koffie voor mezelf in. Zonder cafeïne uiteraard.

Geen instant goochelaar

Eerst zien, dan geloven, zo luidt het bekende gezegde. Dat dacht ook Thomas, één van de apostelen van Jezus, aan wie we de uitdrukking “ongelovige Thomas” te danken hebben. Ondanks het feit dat hij jaren lang intensief met Jezus had opgetrokken, en in die periode diverse wonderen had gezien, reageerde hij vol ongeloof toen hij hoorde dat Jezus uit de dood was opgestaan (Johannes 20:25-29). Hij zei: ‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in Zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in Zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ Toen Jezus hem een week later uitnodigde om precies dát te doen, was Thomas met stomheid geslagen en kon hij niet meer uitbrengen dan: ‘Mijn Heer, mijn God.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’

Toen ik overwoog om lid te worden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en me te laten dopen, worstelde ik net als Thomas met mijn ongeloof. Ik geloofde in Jezus Christus en had dat sinds mijn kindertijd gedaan, waarbij periodes van onwankelbaar geloof en vertrouwen waren afgewisseld door periodes vol twijfel en scepsis. Vooral rond mijn pubertijd had de scepsis zich ontwikkeld tot een veelkoppig monster dat bij tijd en wijle van zich liet horen. Als het slecht met me ging, wilde dat monster me laten geloven dat mijn misère het bewijs was dat God niet bestond; als het goed met me ging, voedde dat monster mijn arrogantie door me te laten denken dat ik mijn succes volledig aan mezelf te danken had.

Ik wilde me wel laten dopen, maar moest ik daarvoor niet zeker weten dat God bestaat? Mijn vrouw heeft voordat ze zich liet dopen een sterke getuigenis ontvangen van God en dat leek mij ook wel wat. Eerst zien (of in het geval van mijn vrouw: heel sterk voelen), dan geloven. Ik ging zelfs zo ver dat ik in mijn gebeden God verzekerde van mijn trouw – onder de voorwaarde dat Hij eerst van zich liet horen. Ik weet niet wat ik precies verwachtte, maar een paar bliksemschichten aan de hemel of de brandende braamstruik die Mozes te zien kreeg: dat leek mij wel wat.

Maar God laat zich natuurlijk geen voorwaarden opleggen, en al helemaal niet door mij. God is geen instant goochelaar die op verzoek zijn trukendoos openmaakt. Geloven doe je namelijk op basis van je vertrouwen in God, niet op basis van “bewijs”. Meestal laat God dan ook geen tekens zien om mensen te laten geloven, nee, het is omgekeerd: pas als mensen geloven, zien ze wonderen. Het komen tot geloof heeft daarmee iets van een vicieuze cirkel: je wil pas geloven als je geen twijfel meer hebt, maar als je twijfelt, zul je nooit tot geloof komen.

Hoe doorbreek je die vicieuze cirkel? Bij mij gebeurde dat doordat ik de cirkel zag. Geholpen door de Heilige Geest werd ik mij er met een schok van bewust dat ik vast zat in die vicieuze cirkel en dat God van mij verwachtte dat ik Hem zou vertrouwen. Vervolgens wist ik uit de vicieuze cirkel te breken door ervoor te kiezen om te geloven.

Het is o zo menselijk om eerst te willen zien om dan pas te geloven. Beter sceptisch dan goedgelovig en naïef zijn, toch? Het verhaal van Thomas spreekt ons zo aan omdat het zo herkenbaar is. Zijn geloof is onvolkomen. Het is menselijk, wordt voortdurend aan het wankelen gebracht door twijfel en schiet te tekort. Zijn geloof schreeuwt om bewijs. Thomas is ook zo sympathiek omdat hij zich niet beter voordoet dan dat hij is. Hij steekt zijn twijfel niet onder stoelen of banken, ondanks al die jaren dat hij een trouwe metgezel is geweest van Jezus. En hij was niet de enige.

Begin 1832 besloot Ezra Booth, een methodistisch predikant te Kirtland, zich te laten dopen toen hij er getuige van was geweest hoe Joseph Smith op wonderbaarlijke wijze de arm van Booth’s vriendin, Elsa Johnson, genas. Dat leek Ezra Booth ook wel wat. Maar toen na zijn bekering de wonderen die híj kon verrichten uitbleven, raakte hij teleurgesteld en haakte hij af. Binnen slechts enkele maanden tijd verloor hij zijn geloof en begon hij kritiek op Joseph Smith te uiten. Daarmee werd hij de eerste afvallige binnen de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Zijn ongeduld en zijn gebrek aan nederigheid bleken groter te zijn dan zijn geloof.

Petrus liep over het water naar Jezus toe, maar werd zich opeens bewust van het water en de harde wind en begon te zinken. Ook zijn geloof bleek niet onfeilbaar. Hoe ging Jezus hiermee om? Net als bij Thomas, die hij niet veroordeelde, maar tot wie hij slechts zei: ‘Wees niet langer ongelovig, maar geloof’ reikte Hij ook Petrus Zijn hand en trok hem uit het water. Jezus erkent dat twijfel mag. Twijfel maakt geloven een menselijke ervaring, en dat is OK. Twijfel hoort erbij.

Het is echter wel belangrijk wat je léért van je twijfel. Blijf je erin hangen of kom je in actie en wend je je tot God? Soms moet je gewoon erkennen dat twijfel een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van je geloof. Maar vervolgens moet je wel door je twijfel héén geloven, om vervolgens te ervaren dat die twijfel nergens voor nodig was. Zo heb ik mijn eigen, persoonlijke getuigenis alsnog ontvangen, maar pas nadat ik ervoor had gekozen om de eerste stap tot geloof te zetten.

In Leer & Verbonden 63, verzen 8-12 staat het volgende geschreven:

Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn er onder u die tekenen zoeken, en dezulken zijn er zelfs vanaf het begin geweest; maar zie, geloof komt niet door tekenen, maar tekenen volgen hen die geloven. Ja, tekenen komen door geloof, niet door de wil van mensen, noch zoals het hun belieft, maar door de wil van God. Ja, tekenen komen door geloof en voeren tot machtige werken, want zonder geloof is geen mens God welgevallig; en in hem op wie God vertoornd is, heeft Hij geen welgevallen; daarom toont Hij zulke mensen geen tekenen, tenzij in verbolgenheid tot hun veroordeling. Daarom heb Ik, de Heer, geen welgevallen in degenen onder u die naar tekenen en wonderen hebben gezocht omwille van geloof, en niet omwille van het welzijn van de mensen tot mijn eer.

Ook Moroni heeft gezegd (Ether 12:18): ‘En niemand heeft ooit wonderen verricht dan na zijn geloof.’

Waarom gebeuren er soms wonderen, maar vaak ook niet? Waarom genezen sommige mensen op wonderbaarlijke wijze en gaan andere mensen dood? Waarom gaan goede mensen dood? Waarom gaan jonge mensen dood? Waarom maken goede mensen slechte dingen mee? Ik heb natuurlijk geen antwoord op deze fundamentele vragen, maar ik weet wel dat het soms de wil van God is dat deze dingen gebeuren. Waar het dan op aankomt, is dat wij de kracht en het geloof hebben om deze dingen te accepteren. Soms moeten wij gewoon aanvaarden dat God iets anders voor ons in petto heeft dan wij zelf verwachtten.

‘Kom dan van het kruis af,’ riep een menigte ongelovigen naar Jezus terwijl ze hem uitjouwden (Mattheüs 27:40). Als iemand in staat was om op miraculeuze wijze van het kruis af te komen, was het wel Jezus. Maar hij wist dat God iets anders met hem van plan was en had de kracht om zich aan Zijn wil te onderwerpen, tot aan de dood toe.

Verwacht ook niet dat wonderen er altijd voor zorgen dat mensen geloviger worden. Laman en Lemuel zagen een engel van God nadat zij hun broers met een stok hadden geslagen (1 Nephi 3: 29), maar beterden zij daardoor hun leven? De engel was nog niet vertrokken, of zij begonnen al weer te mopperen. Er waren vele wonderen die voorafgingen aan de komst van Jezus naar Amerika, maar slechts vier jaar later begon het volk al te morren en gingen de mensen die de tekenen en wonderen toch echt met hun eigen ogen hadden gezien, zich steeds minder verbazen over wonderen en gingen zij steeds meer twijfelen aan alles wat zij hadden gehoord en gezien. Het sleutelwoord is hier verbazen. Als je ophoudt je te verbazen, zal onze getuigenis voortdurend verzwakken en onze band met God minder worden.

En er is zo veel om je over te verbazen in deze wereld! Soms zijn we ons van veel wonderbaarlijke dingen niet eens meer bewust, omdat we er te dicht met onze neus bovenop zitten. De Franse schrijver Marcel Proust heeft ooit gezegd dat de enige echte ontdekkingsreis in ons leven niet bestaat uit het zoeken naar nieuwe landen, maar uit het krijgen van nieuwe ogen. Hij heeft ook gezegd dat de mens die wil waarnemen en de dingen alleen van buiten ziet, niets ziet.

Mijn bekering, die een her- en erkenning was van de kracht van God in alles om me heen, was één van de grootste wonderen in mijn leven en ik hoop me daar nog lang over te kunnen verbazen.

Anachronismen in het Boek van Mormon

Toen ik voor het eerst begon te lezen in het Boek van Mormon, werd ik heen en weer geslingerd tussen twee tegenstrijdige emoties. De ene emotie was blijdschap: als het waar was wat ik las, was Jezus Christus inderdaad op aarde geweest, iets wat ik als kind vol overtuiging had geloofd, maar sinds mijn puberteit steeds vaker was gaan betwijfelen. De andere emotie was dan ook scepsis en had te maken met dat woordje “als”. Als het waar was wat ik las… Maar wat nou als het niet waar was?

Ik begon het Internet af te grazen naar alles wat ik kon vinden over het Boek van Mormon. Ik vond veel enthousiaste verhalen, maar die waren bijna allemaal afkomstig van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, dus die nam ik met een grote korrel zout. Dat “Heiligen der Laatste Dagen”… dat klonk sowieso al als de naam van een sekte, voor mij een reden te meer om uiterst kritisch te zijn op alles waar deze Kerk enthousiast over was. Het was gewoon te mooi om waar te zijn, hield ik mijzelf voor. Jezus Christus die na Zijn opstanding een volk in Zuid- of Midden-Amerika (de geleerden zijn het er niet over eens welk werelddeel het precies is geweest) had bezocht: kom nou toch. Ik was toch zeker te oud om in sprookjes te geloven?

Ik stuitte op websites waarin werd gesteld dat het Boek van Mormon wemelde van de anachronismen. Geen wonder, dacht ik, als een Amerikaan uit de negentiende eeuw het boek uit zijn duim had gezogen. Ik kwam erachter dat de door mij bewonderde Amerikaanse schrijver Mark Twain het Boek van Mormon “chloroform in print” had genoemd. Dat woog zwaar voor mij. Wat ook zwaar woog, was dat de Vlaamse filosoof Maarten Boudry, waar ik altijd graag naar luister, in het hoofdstuk ‘Bovennatuurlijke luchtkastelen’ in zijn Boek ‘Illusies voor Gevorderden’ over Joseph Smith schreef: ‘In het openbaringsverhaal van het mormonisme (vijftien miljoen volgelingen wereldwijd) verbergt de engel Moroni gouden platen onder de grond en toont hij ze later aan de profeet Joseph Smith die ze in een hoed stopt samen met een magische steen. Wanneer hij zijn hoofd vervolgens in de hoed steekt, kan hij de geheime boodschappen op de gouden platen ontcijferen. Zoals in de uitspraak die aan de christelijke auteur Tertullianus (ca. 160-230) wordt toegeschreven: ‘Credo quia absurdum’, ik geloof omdat het absurd is. Hoe gekker de illusies, hoe liever dus.’ Au, dat deed pijn.

Ondertussen vorderde ik gestaag met het Boek van Mormon en raakte ik steeds meer onder de indruk van de kracht en de complexiteit ervan. Ik las steeds meer passages die mij erg aanspraken, onder andere over de zondeval en de rol van het kwaad in de wereld. Onderwerpen die naar mijn mening door de Rooms-Katholieke Kerk, waarmee ik was opgegroeid, nooit bevredigend waren uitgediept. Voor mij was het bijna niet te geloven dat een jongeman van begin twintig, Joseph Smith, die volgens zijn moeder niet eens in staat was om een fatsoenlijke brief te schrijven, het Boek van Mormon zou hebben verzonnen. Maar ja, dan las ik weer op Internet dat er vóór Columbus helemaal geen paarden op het Amerikaanse continent voorkwamen, terwijl Joseph Smith er toch echt een paar heeft genoemd in het Boek van Mormon. Zie je wel, dacht ik. Zwendel. Bedrog. Hetzelfde gold voor ijzer en staal: die worden verschillende keren genoemd in het Boek van Mormon, terwijl veel geleerden beweren dat er geen enkel bewijs is dat er in de oudheid in Amerika ijzer werd gehard om staal van te maken.

Nu moet u weten dat ik wetenschap hoog in het vaandel heb staan. Als iets in tegenspraak is – of lijkt – met de moderne wetenschappelijke inzichten, dan heb je aan mij een harde noot om te kraken. Dan valt het niet mee om mij ervan te overtuigen dat iets tóch waar is. Maar aan de andere kant… ik geloofde ook dat Jezus op het water kon lopen en mensen uit de dood kon laten herrijzen. Dat is nou niet bepaald in overeenstemming met de moderne wetenschappelijk inzichten. Maar dat is iets anders, hield ik mijzelf voor. Jezus Christus, die was buitencategorie. Die hoefde niet wetenschappelijk verklaard te worden. Maar paarden die zonder wetenschappelijke onderbouwing rondhuppelen op een plek waar ze niet geacht worden rond te huppelen, daar had ik moeite mee.

Al snel kwam ik erachter dat mijn kritische houding sterk werd aangemoedigd in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Niet voor niets noemt de Kerk potentiële bekeerlingen “investigators” (onderzoekers). Onderzoeken, kritische vragen stellen, met een open geest de waarheid tegen het licht houden: het wordt allemaal van harte toegejuicht. Daarin onderscheidt deze geloofsgemeenschap zich van andere geloofsgemeenschappen, waarin het stellen van kritische vragen meestal niet wordt aangemoedigd of zelfs afgeraden.

Nu, bijna anderhalf jaar nadat ik begon te lezen in het Boek van Mormon, kan ik stellen dat al mijn twijfels en bezwaren over zogenaamde anachronismen zijn weggenomen. Een website die mij daar heel erg mee heeft geholpen is http://www.mormoneninfo.be van Wilfried Decoo, emeritus hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en de Brigham Young University. Door te lezen, te onderzoeken en vooral veel zelf na te denken zijn al mijn bedenkingen inmiddels weggenomen.

Is mijn geloof daarmee in een gespreid bedje terecht gekomen en is er dan helemaal geen ruimte meer voor twijfel? Nee, natuurlijk niet. Of het nu gaat om vermeende anachronismen of de gevolgen van de evolutietheorie zoals opgesteld door Charles Darwin: voor elk feit is er wel een tegenfeit, voor elke zekerheid een nieuwe twijfel. Maar ondertussen groeit per saldo mijn geloof, niet (zoals Maarten Boudry stelt) omdat het absurd is, maar ondanks alles ogenschijnlijke absurditeiten waar het leven nu eenmaal vol mee zit. Veel beweringen kunnen net zo hard verdedigd worden als betwist, en dat is maar goed ook. God heeft ons keuzevrijheid gegeven, maar dan moet er natuurlijk wel wat te kiezen zijn. Geloof vereist moed, onderzoek, actie, gebed en zal er nooit voor zorgen dat je rustig achterover kunt leunen in de wetenschap dat alles nu wel duidelijk is. En, heel belangrijk: Satan zal jou er voortdurend van proberen te overtuigen dat je geloof op drijfzand is gebouwd.

Uiteindelijk gaat het erom dat je gelóóft, in plaats van dat je steeds bezig bent te weerleggen waarom je niet zou geloven.

Maar hoe zit het dan met die paarden?

Ik heb verschillende verklaringen gelezen, maar één die voor mij uiteindelijk het meest overtuigend – en ook het eenvoudigst – was, was die van de Amerikaanse geleerde Hugh Nibley. Hij stelt dat bij een aantal dierennamen uit het Boek van Mormon, net zoals bij het gebruik van het woord “staal” overigens, sprake is van een taalkundig probleem van omzettingen. Nibley gaat er van uit dat vertalers (in dit geval dus Joseph Smith) dierennamen gebruiken die hun vertrouwd zijn, als er geen equivalent in de eigen taal beschikbaar is. Net zoals Middeleeuwse reizigers die terugkwamen uit Azië met verhalen over paarden, die in werkelijkheid kamelen of dromedarissen bleken te zijn. Zo kunnen de paarden die Joseph Smith in zijn vertaling van het Boek van Mormon noemt in werkelijkheid lama’s of alpaca’s geweest zijn, dieren waarvan we met zekerheid kunnen stellen dat ze wél voorkwamen in het Amerika van die tijd.

Een andere verklaring is dat hier sprake was van paard-achtigen die dicht bij uitsterven stonden aan het begin van onze jaartelling (het Boek van Mormon vermeldt geen paarden meer vanaf 30 n.C.). Van deze paard-achtigen zijn fossielen gevonden. Nog een andere verklaring stelt dat wij bij het woord “paard” tegenwoordig denken aan de grotere soorten die de Spanjaarden vanaf de zestiende eeuw naar Zuid-Amerika brachten, maar dat er ook al lang voor de komst van de Europeanen kleinere, bontgekleurde paarden (pinto’s) werden gebruikt door de inheemse bevolkingen.

Overigens is het opvallend dat “paarden” in het Boek van Mormon maar zeer beperkt voorkomen, en dat op zich geeft al te denken. Een negentiende-eeuwse schrijver, die er verder niet over zou hebben nagedacht en achteloos paarden in het Boek van Mormon zou hebben geïntroduceerd, had die waarschijnlijk ook ten tonele gevoerd op de ettelijke slagvelden die het Boek van Mormon telt. Dat dat niet het geval is, vergroot dus de geloofwaardigheid van het Boek van Mormon.

Voor mij in ieder geval wel.

Van deze tijd

Een vriendin van mijn vrouw kwam op bezoek en opeens raakte ik verzeild in een discussie over het geloof. Daarbij kwam ook het onderwerp seksualiteit ter sprake. ‘Dat je alleen seks mag hebben om kinderen te krijgen, dat is toch niet meer van deze tijd’ zei onze bezoekster strijdbaar, in de veronderstelling dat een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen het daar wel hartgrondig mee oneens moest zijn.

Haar veronderstelling klopte niet.

Zoals bijna alle kerken heeft ook de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen gedurende een groot deel van de twintigste eeuw voorbehoedsmiddelen en seks zonder het doel jezelf voort te planten scherp veroordeeld, maar dat standpunt is niet langer het officiële standpunt. Sinds eind vorige eeuw bevestigde de kerkleiding waar iedereen ondertussen al van overtuigd was: dat gezinsplanning de verantwoordelijkheid van echtparen is, waar verder niemand iets mee te maken heeft. Ook bevestigde de kerkleiding dat seksuele relaties niet alleen dienen voor de voortplanting, maar ook als uiting van liefde.

Verder raadt de kerkleiding abortus als keuze voor persoonlijk of sociaal gemak sterk af, maar wordt ook gesteld dat abortus een aanvaardbare optie zou kunnen zijn in geval van verkrachting, incest, gevaar voor de gezondheid van de baby of het leven van de moeder, of wanneer de vooruitzichten zodanig zijn dat de baby niet kan overleven na de geboorte.

Overigens heeft de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen een groot respect voor de vrije wil van mensen, wat tot gevolg heeft dat je strikte geboden en verboden vanuit de kerkleiding niet snel hoeft te verwachten. Dus ook niet over dit onderwerp. Wel adviezen, waar ieder lid van de kerk zijn voordeel mee kan doen. Of niet.

Wat mij betreft zijn deze adviezen wel degelijk van deze tijd.

Intense dankbaarheid: strijkkwartet in a opus 132 van Ludwig van Beethoven

Dit is misschien wel mijn meest persoonlijke blogpost. Het gaat over de mooiste muziek die ik ken, die ik beluisterde op één van de meest ontroerende momenten uit mijn leven. Dat was zowel een muzikale als een religieuze ervaring, reden waarom ik deze tekst op mijn beide blogs zet (één blog over mijn liefde voor muziek en één blog over mijn geloof).

Het was eind 2019, een gewone doordeweekse dag. Ik had een moeilijk jaar achter de rug. Mijn relatie was na ruim vierentwintig jaar verbroken, met alle pijnlijke emoties die daarbij horen. Gelukkig was ik onlangs een nieuwe vrouw, Yanina, tegengekomen, die de liefde van mijn leven bleek te zijn. Ik was verliefd, en niet zo’n beetje ook. Ik kwam net terug van Eindhoven, waar Yanina woonde, en het was al laat. Ik had ruim een uur in de auto gezeten, maar ik was nog niet moe en besloot nog even naar wat muziek te luisteren. Het was donker in huis, maar ik nam niet de moeite om de lampen aan te doen. Ik zette het vijftiende strijkkwartet van Beethoven op. Ik genoot van de muziek, maar pas bij het derde deel (molto adagio) gebeurde er iets bijzonders. Ik kende het strijkkwartet, maar nog niet zo goed. Maar dat veranderde op dat moment. Als aan de grond genageld luisterde ik naar het adagio, alsof de noten nu pas in hun volle omvang tot me doordrongen. Voor het eerst realiseerde ik me de zeggingskracht van deze bijzondere muziek. Het was alsof Beethoven dit adagio speciaal voor mij had geschreven.

Daar, in het donker, liet de muziek mij iets realiseren waarvan ik weliswaar mijn hele leven een vermoeden had gehad, maar wat ik ik al die tijd een beetje van me af had gehouden. Het was een simpele, maar krachtige waarheid. God bestaat, en hij heeft je lief. De muziek getuigde zo sterk van die waarheid, dat ik daar vanaf dat moment nooit meer aan heb getwijfeld. Ik had het Boek van Mormon nog niet gelezen en het zou nog een vol jaar duren voordat ik zou worden gedoopt in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, maar dat God bestond en van mij hield, dat stond voor mij vanaf dat moment als een paal boven water. God sprak via Beethoven tot mij en liet mij weten dat de dingen OK waren, ondanks alles wat ik het afgelopen jaar had meegemaakt.

Het adagio van het vijftiende strijkkwartet in a van Ludwig van Beethoven heet officieel: Canzona di ringraziamento. Heiliger Dankgesang eines Genesenden an die Gottheit, in der lydischen Tonart: Molto Adagio. Dat is een hele mond vol, waarbij een paar woorden opvallen.

Allereerst de uitdrukking canzona di ringraziamento of Dankgesang. In het Nederlands simpelweg: danklied. Het langzame deel heet niet voor niets zo. Tijdens het componeren van zijn vijftiende strijkkwartet, in maart 1825, werd Beethoven ernstig ziek, zo ziek zelfs dat hij vreesde voor zijn leven. Beethoven had vermoedelijk een ontsteking van de ingewanden en werd door zijn dokter op een strikt dieet gezet, zonder wijn, koffie en kruiden. Ook verbood de dokter Beethoven om ‘s nachts te werken, iets wat de componist tot dat moment vaak en graag deed. In mei was Beethoven weer voldoende opgeknapt om naar het kuuroord Baden te reizen. Uit dankbaarheid voor zijn genezing noemde hij het zeer langzame deel (molto adagio) uit zijn strijkkwartet een Heiliger Dankgesang eines Genesenden an die Gottheit. De muziek roept het beeld op van een zieke die uiteindelijk dankzij God geneest en uit dankbaarheid voor zijn herwonnen levenskrachten een danklied aanheft. Eigenlijk is het stuk één lang gebed, iets wat heel duidelijk blijkt uit de woorden die Beethoven gebruikt (Dankgesang en Gottheit).

Verder valt op dat het stuk is geschreven in der lydischen Tonart, oftewel: in de zogenaamde lydische toonladder. De lydische toonladder is één van de zeven hoofdkerktoonsoorten zoals die in de westerse muziek worden gebruikt. Je kan de lydische toonladder horen door op een piano vanaf de F een octaaf omhoog te spelen op alleen de witte toetsen. Er zit een overmatige kwart in, die je ook kunt horen in bijvoorbeeld het beroemde Maria uit de West Side Story van Bernstein (de sprong die de zangeres maakt tussen “ma” en “ria”). Veel mensen ervaren de lydische toonsoort als opbeurend, alsof de ziel naar een hoger niveau wordt getild. Dat past dus heel goed bij het gevoel van genezing en dankbaarheid.

Het molto adagio is een meditatieve overpeinzing van bijna twintig minuten lang, maar het lijkt oneindig lang te duren – en dat bedoel ik in positieve zin. Het is diepe, abstracte muziek, waarbij begrippen als “ruimte” en “tijd” volledig lijken te zijn verdwenen. Het is “moeilijke” muziek, in die zin dat de muziek zijn geheimen pas prijs geeft na herhaaldelijk en intensief luisteren. Op het eerste gehoor lijkt het stuk geen aanstekelijke melodieën te bevatten, maar als je de moeite neemt om het stuk meerdere keren te beluisteren nestelen de langgerekte, zangerige lijnen zich in je muzikale geheugen als kostbare juwelen en doe je niets liever dan het stuk de hele dag door stilletjes voor je uit neuriën. De muziek schuurt nu eens door de vele dissonanten, en is dan weer gloedvol als een steen die lang in de zon heeft gelegen. Er zijn weinig muziekstukken die mij telkens opnieuw tot tranen toe weten te ontroeren, maar dit adagio is er één van. Het is verbijsterende muziek! Als ik slechts één muziekstuk zou mogen meenemen naar een onbewoond eiland, dan zou het dit danklied zijn.

Terwijl ik dit schrijf, besef ik weer eens hoe moeilijk het is om een muzikale ervaring in woorden te vangen. Woorden als “mooi” en “verbijsterend” doen totaal geen recht aan het scala van emoties dat Beethoven weet op te roepen. Het knappe vind ik dat Beethoven niet vervalt in overdreven retoriek, wat hem vergeven zou zijn na het herstel van zijn levensbedreigende ziekte. De toon van de muziek is daarentegen sereen en beheerst. Beethoven schildert een objectief relaas van het overwinnen van een tragedie zoals die in ieder mensenleven kan voorkomen, zonder pathos of zelfmedelijden, maar daardoor des te krachtiger. Ik vraag me af of God ooit op een mooiere manier is bedankt.

Genezing en dankbaarheid, hoe toepasselijk waren die woorden voor mij, daar in die donkere woonkamer, op dat cruciale moment in mijn leven. Ik had veel pijn en verdriet meegemaakt, maar voelde nu ook vreugde en dankbaarheid omdat God zo’n geweldige vrouw op mijn pad had gestuurd.

Diepe, religieuze ervaringen kunnen iedereen op een andere manier overkomen. De een voelt zich dicht bij God als hij op een zomerse avond aan het strand naar een zonsondergang kijkt, de ander ervaart hetzelfde bij het kijken naar een dierbaar schilderij. Voor mij was het luisteren naar dat weergaloos mooie dankgebed van Beethoven de meest overrompelende religieuze ervaring uit mijn leven.

God bestaat. Hij houdt van mij. Het is OK.