
Als een gelovige en een ongelovige met elkaar discussiëren over het bestaan van God, valt op dat het meestal de gelovige is die door de ongelovige in een hoek wordt gedreven en wordt uitgedaagd om met bewijs te komen dat God inderdáád bestaat. Dus jij denkt dat er een God is? Bewijs het maar! De bewijslast, met andere woorden, ligt bijna altijd bij de ongelovige. Terwijl je het ook heel goed zou kunnen omdraaien. Dus jij gelooft dat er géén God is? Kom maar op met je bewijs!
In het uitstekende en zeer lezenswaardige boek God bewijzen van Stefan Paas en Rik Peels betogen de auteurs dat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat in God geloven een natuurlijke, gezonde en nuttige gewoonte is. Natuurlijk, omdat de meeste mensen van nature geneigd zijn om in God te geloven. Gezond, omdat gebleken is dat de meeste gelovigen er een gezondere levensstijl op nahouden en langer leven. Waarom zou je je daar als gelovige voor moeten rechtvaardigen? De criticus zou zich juist moeten rechtvaardigen, hetzij door aan te tonen dat geloven onnatuurlijk is en ongezonde en schadelijke gevolgen heeft, hetzij door aan te tonen dat het geloof in God op lucht is gebaseerd. Karl Marx noemde religie opium van het volk. Je zou met evenveel stelligheid kunnen betogen: atheïsme is opium van mensen die niet in God geloven.
Een atheïst die een godsgeloof onderuit wil halen, zo stellen Paas en Peels, lijkt op iemand die een stofzuiger wil verkopen. Zijn eerste poging zal zijn het aantonen dat de oude stofzuiger een gevaarlijk onding is. Is de stofzuigerbezitter daarvan niet overtuigd, dan zal de stofzuigerverkoper verlangen dat de klant bewijst dat de stofzuiger inderdaad goed werkt. Als dat óók niet lukt zal de stofzuigerverkoper inpraten op het gemoed van de klant door hem het gevoel te geven dat hij belachelijk is door met zo’n oude stofzuiger te werken, of dat ieder verstandig, hoogopgeleid mens inmiddels aan nieuwe types is verslingerd. Mensen zijn in het algemeen gevoelig voor dit soort verkopersretoriek, dus dat is een goede tactiek (zo weet iedere reclamemaker). Als de klant onwillend blijft, kan de verkoper een serieuzer register aanboren. Hij trekt rapporten te voorschijn, laat consumententests en wetenschappelijke resultaten zien, die allemaal aantonen dat de stofzuiger van de klant hopeloos verouderd is en elk moment kan bezwijken. Als de verkoper de klant daarvan kan overtuigen, is hij er nog niet. Hij zal niet alleen de oude stofzuiger moeten afkraken, maar ook moeten aantonen dat de nieuwe stofzuiger superieur is.
Er staat nog veel meer in het boek van Stefan Paas en Rik Peels, en ik kan iedereen aanraden om het te lezen. De toon van de schrijvers is nuchter, met de nodige humor, waarbij ze absoluut niet proberen om te drammen of zieltjes te winnen (Paas en Peels zijn beiden overtuigd Christen). Het boek noemt een aantal goede argumenten voor het bestaan van God en weerlegt de tegenargumenten wat mij betreft op overtuigende wijze.
Ik geloof dat het de filosoof René Descartes was die heeft beweerd dat je op louter rationele gronden maar beter in God kunt geloven. Bestaat er een God in het hiernamaals, dan zal Hij je met open armen ontvangen en zit je dus goed. Is er helemaal niets na de dood: jammer dan. Dan is het hooguit spijtig dat je zo vaak voor niets naar de kerk bent geweest.
Die benadering van Descartes is wel heel koel en calculerend. Religie kan natuurlijk nooit een beslisboom zijn die op basis van louter rationele overwegingen wordt ingevuld. Je zegt tegen je geliefde ook niet: alle opties overziend, lijkt het me de meest verstandige keuze om van je te houden. Ik denk in ieder geval niet dat je daar hoge ogen mee scoort op Valentijnsdag. Verliefdheid vereist overgave, en dat is bij religie niet anders. André Hazes zong het al:
Want zij gelooft in mij, zij ziet toekomst in ons allebei.