
Toen ik voor het eerst hoorde over de totstandkoming van het Boek van Mormon, was mijn eerste reactie: yeah, right…
Wat is er aan de hand? In 1822 kreeg een 17-jarige Amerikaanse jongen genaamd Joseph Smith, nadat eerder God en Jezus Christus aan hem waren verschenen, van een engel te horen dat er in een heuvel op het platteland gouden platen lagen verborgen die de geschiedenis bevatten van twee grote beschavingen die zich lang geleden in het oude Amerika hadden gevestigd. Een van deze beschavingen was in het jaar 600 voor Christus naar Amerika gekomen. Joseph Smith kreeg later de opdracht om deze gouden platen van het oud-Egyptisch te vertalen naar het Engels door zijn gezicht te begraven in een hoed waarin hij een zienersteen had geplaatst. Via goddelijke inspiratie slaagde Joseph Smith erin om het Boek van Mormon – dat ongeveer 275.000 woorden bevat – in een periode tussen de 60 en 90 dagen te vertalen, zonder stukken te herschrijven of correcties aan te brengen. Joseph Smith had in zijn leven geen noemenswaardige opleiding gevolgd en was volgens zijn moeder niet eens in staat om een fatsoenlijke brief te schrijven.
Nog voordat ik ook maar één woord van het Boek van Mormon had gelezen, was ik er eigenlijk al klaar mee. De feiten alleen leken mij dermate vergezocht dat ik maar tot één conclusie kon komen. Lariekoek. Apekool. Mystieke onzin, de moeite van het bestuderen niet waard.
Ik was mijn hele leven Katholiek geweest, maar dit voor mij onbekende geloof leek mij dermate bizar dat ik het op op één lijn stelde met Hans en Grietje, Klein Duimpje en Pinokkio. Totdat ik mij met een schok realiseerde dat het Christelijke geloof waarmee ik was opgegroeid voor een buitenstaander net zo veel op het eerste gezicht bizarre elementen bevat. Jezus liep over het water, veranderde water in wijn, bracht doden tot leven en stond uiteindelijk zelf op uit de dood. Toch heeft mij dit niet weerhouden om me mijn hele leven als Christelijk te beschouwen. Sterker nog: het zijn juist die “bizarre” elementen die altijd een wezenskenmerk zijn geweest van mijn geloof, ondanks het feit dat ik een nuchter mens ben, een man van de wetenschap. Maakt dat geen onlosmakelijk deel uit van je geloof: juist het feit dat je gelooft?
En in het verlengde daarvan: waarom zou het zo vergezocht zijn dat zich tweehonderd jaar geleden een wonder heeft voorgedaan als je al je hele leven hebt geloofd dat zich tweeduizend jaar geleden wonderen hebben voorgedaan? Waarom zou God opeens stoppen met het verrichten van wonderen?
Voor mij was het duidelijk. Ofwel ik kieperde alle religies uit het raam, ofwel ik gaf het Boek van Mormon op zijn minst een kans. En dat is precies wat ik heb gedaan. Dit Boek van Mormon heeft me gegrepen en nooit meer losgelaten. Daarover later meer.